Kweikers
In elke stad zijn er namen die voorbijgangers doen glimlachen, omdat zij een geschiedenis in zich dragen die alleen de inwoners echt kennen. Zo ook in Tienen, waar men al eeuwen de bewoners “Kweikers” noemt — en de reden hiervan ligt begraven in de velden en de fabrieken waar goud uit aarde werd getrokken.
1 De komst van het gouden gewas
Lange voor de grote suikerfabrieken die Tienen in de negentiende eeuw zou transformeren, groeide er in de velden rond de stad een gewas dat klein leek maar onevenredig veel werk vereiste. De suikerbiet, dit bescheiden wortelgewas, was tegen de negentiende eeuw uitgegroeid tot de voornaamste bron van welvaart voor de Tiense boeren.
Eigenlijk was het de Napoleónse oorlogen die dit alles veranderden. Toen Engeland de Franse havens afsloot en handel via zee onmogelijk werd gemaakt, zochten de Europeanen naar een nieuwe bron voor suiker — niet uit kolonies, maar uit de aarde zelf. De suikerbiet leek de oplossing. En in België, in het vruchtbare land van Vlaams-Brabant, zou Tienen het epicentrum van deze suikerrevolutie worden.
Al gauw waren de velden rondom Tienen vervuld van een leger van arbeiders die de bieten uit de grond haalde, sorteert en op kar laadde. Het was werk dat kennis vereiste en doorzettingsvermogen, werk dat generatie op generatie werd doorgegeven. De Tiense boeren werden experts in hun vak. En Tienen zelf, van een rustig landdorp, groei uit tot een bruisend industrieel centrum.
2 De Kweikerij
Maar voordat de grote fabrieken kwamen, vereiste de suikerbietverwerking veel handwerk. En veel van dat handwerk gebeurde in wat men de ’Kweikerijen’ noemde — kleine werkhuizen waar de bieten werden schoongemaakt, gewogen en gereed gemaakt voor verdere verwerking.
In deze werkhuizen, tussen de bergen bieten en bergen uitgeworpen aarde, werkten mannen en vrouwen die net zo ver heen en weer gingen als het gewas zelf. Zij schudden de bieten (in het dialect: ’kweken’), sloegen de aarde eraf, sneden de bladeren eraf, en gooiden de bruikbare delen in emmers. Het was repetitief werk, hard work, werk dat je handen rood maakte en je rug deed krommen.
De Tiensen, vooral degenen in de lagere klassen die dit werk deden, werden al snel bekend om hun kundigheid in het kweiken. ’Kijk naar die Tiense kweker,’ zou men zeggen in de nabijgelegen dorpen, ’die weet hoe je een biet moet hanteren!’ Het was bedoeld als compliment. En vroeger of later klampte de naam zich aan hen vast: zij waren niet alleen arbeiders, zij waren Kweikers.
3 Een naam die groeide
De naam ’Kweiker’ begon louter als een beroepsaanduiding, maar groeit uit tot iets veel meer. Het werd een identiteit. De Kweikers waren niet alleen zij die bieten kweikten; zij werden symbool van de arbeid zelf, van de hardheid die het land van Tienen vereiste, van de innovatie en ondernemerszin die een klein dorp tot industrieel hartje van Bëlg maakten.
Toen de grote suikerraffinaderijen eindelijk kwamen — machines inbegrepen — veranderde het werk. Maar de naam bleef. De Tiensen, hoe welvarend zij ook werden, hoe modern hun fabrieken ook, wilden niet van de naam afstappen. ’Wij zijn Kweikers,’ zeiden zij met trots, ’en dat zal altijd zo blijven.’
Vandaag de dag is de suikerbietenteelt in België bijna verdwenen. De grote industrie is elders heen gegaan, de fabrieken zijn gesloten of verbouwd tot musea en appartementen. Maar in Tienen zelf, in de harten van de inwoners, leeft de geest voort van degenen die hun handen vuil maakten om rijkdom uit aarde te putten. En nog steeds, met een glimlach en een trotse schouderklopje, noemen zij zichzelf — en elkaar — Kweikers.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


