De Tutters
Waarom ligt Olmen waar het ligt, afgezonderd en vergeten aan de rand van de Kempen? De Olmenaren kennen het antwoord. Het is een verhaal over een heilige, een kar en drie woordjes die alles veranderden.
1 Het vergeten dorp
In het begin der tijden, toen de wereld nog vers was en de dorpen hun plaats moesten vinden, trok Sint-Pieter met een zware kar door de Lage Landen. Op die kar lagen alle dorpen van Vlaanderen opgestapeld als zakken meel op marktdag — keurig gesorteerd, elk met zijn eigen naam en bestemming. Herentals had hij al afgeleverd, stevig en trots aan de rivier. Geel had hij neergezet in een vruchtbare vlakte. Mol lag al te glimmen in de zon.
Maar terwijl Sint-Pieter door de woeste Kempen reed, stootte zijn kar tegen een boomwortel die dwars over het pad groeide. De kar schudde hevig. En in die ene schok gleed er iets van de laadbak — een klein, bescheiden dorpje dat tussen de grotere plaatsen was weggestopt. Het viel van de kar, rolde door het heidezand en bleef liggen in een uithoek waar niemand kwam.
Dat dorpje was Olmen.
2 Tut, tut, tut
Sint-Pieters helpers renden naar achteren. ’Meester!’ riepen zij. ’Er is een dorp gevallen! Olmen ligt in de berm! Moeten wij het oprapen?’ Zij bukten zich al om het kleine dorp terug op de kar te laden.
Maar Sint-Pieter keek achterom, zag het stoffige hoopje huizen in het zand liggen en schudde zijn hoofd. Hij was moe. De kar was zwaar. Er lagen nog tientallen dorpen die hun plek moesten krijgen voor het donker werd. En Olmen — tja, Olmen was zo klein dat het nauwelijks opviel.
’Tut, tut, tut,’ zei Sint-Pieter, en hij maakte een wegwerpgebaar met zijn hand. ’Laat Olmen maar liggen. Het ligt daar best goed genoeg.’
En hij reed verder, zonder om te kijken. Zijn helpers keken elkaar aan, haalden hun schouders op en volgden de kar. Olmen bleef achter in het zand, vergeten door een heilige die haast had.
3 De naam die bleef
Zo kwam het dat Olmen bleef liggen waar het was gevallen — afgezonderd van de rest, aan de rand van alles, bereikbaar over slechte wegen die in de winter veranderden in modderstromen. De omliggende dorpen hoorden het verhaal en lachten erom. ’Olmen,’ zeiden ze, ’dat is het dorp dat Sint-Pieter niet eens wilde oprapen.’
En de drie woordjes die de heilige had uitgesproken — ’tut, tut, tut’ — bleven hangen als distels aan een schaapsvacht. De Olmenaren werden voortaan De Tutters genoemd. Het was een spotnaam, geboren uit hemelse onverschilligheid en aardse spot.
Maar de Tutters legden zich er niet bij neer als slachtoffers. Zij maakten er hun eigen verhaal van. Wie zo klein en vergeten kon zijn en tóch bleef bestaan, die had iets wat de grote dorpen niet hadden — taaiheid. En zo werd ’Tutter’ geen scheldwoord meer, maar een eretitel voor iedereen die weet wat het is om met weinig veel te maken.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


