Shield
Niel-bij-As, Limburg

Die Gnydige

Tier 0+ - Publiek 5 min Sage
Flag
Advertentie
OthalaOthalaHandgebouwde websites die je zelf bezit

In de bossen rond Niel-bij-As, diep in de Limburgse Kempen, lag ooit een grot waar niemand bij nacht in de buurt durfde te komen. Daar woonde Die Gnydige — half vrouw, half heks, meesteres van de katten en gebiedster over het ongedierte.

HW HW

1 De vrouw in de grot

Niemand wist precies wanneer ze was gekomen, of ze er altijd al was geweest. De oudsten van het dorp vertelden dat hun grootouders al over haar spraken — de kromme gestalte die tussen de rotsblokken bij de beek woonde, in een grot die ze had bekleed met gedroogd mos en dierenvellen. Haar rug was gebogen als een hoepel, haar linkerhand was verdraaid en haar ene oog keek voortdurend naar de grond terwijl het andere je recht aanstaarde.

Ze noemden haar Die Gnydige — de nijdige, de boosaardige — hoewel niemand precies kon zeggen of ze echt kwaadaardig was of gewoon zo oud en eenzaam dat het verschil niet meer uitmaakte. Ze leefde van wat het bos haar gaf: bessen, wortels, paddestoelen, en de muizen die haar katten voor haar vingen.

Want katten had ze. Tientallen. Zwarte, grijze, gevlekte, gestreepte. Ze zaten op de rotsen rond haar grot als wachters, met ogen die gloeiden in het schemerdonker. De dorpelingen zeiden dat ze met de katten sprak in een taal die geen mens kon verstaan, en dat de katten haar gehoorzaamden als soldaten een generaal.

2 De luizenplaag

Op marktdagen kwam Die Gnydige het dorp in, leunend op een stok van meidoornhout, haar katten als een stoet achter haar aan. Ze ging van deur tot deur en vroeg om aalmoezen — een stuk brood, een handvol meel, een ei. De meeste vrouwen gaven snel iets, niet uit medelijden maar uit angst. Want iedereen kende de verhalen.

Boer Hendrickx was de eerste die het had geweigerd. “Ga werken zoals ieder ander,” had hij gezegd en de deur voor haar neus dichtgeslagen. Die nacht begon het. Zijn vrouw voelde het eerst — een jeuk in haar haar die niet ophield, een kriebeling die zich verspreidde naar de kinderen, naar de knechten, naar het hele huishouden. Luizen. Niet de gewone luizen die elk kind wel eens meebrengt uit school, maar een plaag die geen kam, geen azijn, geen kokend water kon stoppen.

Pas toen zijn vrouw in tranen een mand met eieren naar de grot had gebracht, stopte het. Van de ene dag op de andere waren de luizen verdwenen, alsof ze nooit hadden bestaan. Sindsdien weigerde niemand in het dorp Die Gnydige nog iets.

Behalve de molenaar. Maar die had het ook snel geleerd.

3 Vrijdag de dertiende

Het was de herder Jansen die het als eerste had gezien. Op een vrijdagavond — de dertiende van de maand, zo benadrukte hij telkens — had hij zijn schapen laat naar de stal gedreven toen hij bij de open plek in het bos een geluid hoorde dat hem het bloed deed stollen. Het was geen gehuil, geen gebrul, geen geschreeuw. Het was het geluid van honderd katten die tegelijk begonnen te spinnen.

Op de open plek, in het licht van een halve maan, zaten ze in een grote kring — katten van elke kleur en grootte, sommige wild, sommige met de halfband van een boerderij om hun nek. In het midden zat Die Gnydige op een boomstronk, haar misvormde hand geheven, en de katten bewogen als één lichaam: ze bogen hun koppen, ze draaiden zich om, ze gingen liggen en stonden weer op, allemaal op hetzelfde moment.

Jansen rende naar huis en vertelde het aan iedereen die het wilde horen. Niemand sliep die nacht. De pastoor bad de hele nacht in de kerk. En vanaf die dag wist heel Niel-bij-As: Die Gnydige was geen gewone bedelares. Ze was een kattenheks.

4 Het vuur en de kat

Het was onvermijdelijk dat de dorpelingen iets zouden ondernemen. Op een winteravond, toen Die Gnydige niet in haar grot was — of althans, dat dachten ze — trokken zes mannen met fakkels naar de rotsen bij de beek. Ze stapelden droog hout en stro voor de ingang en staken het aan. Het vuur laaide op en vulde de grot met rook en hitte. De katten vluchtten krijsend alle kanten op, zwarte schimmen in de nacht.

Toen het vuur was uitgebrand en de rook was opgetrokken, durfde niemand naar binnen te kijken. Pas bij het ochtendgloren ging de smid — de sterkste man van het dorp — de grot in. Hij vond geen menselijk lichaam. Alleen as, verkoolde dierenvellen, en één dode kat.

Maar wat een kat. Het was een enorme kater, zwart als roet, met een rug die gebogen was als een hoepel. Zijn linkerpoot was verdraaid. En zijn ene oog — het oog dat nog open was — staarde de smid aan met een blik die zo menselijk was dat hij achteruit deinsde en de grot uit vluchtte.

Die Gnydige werd nooit meer gezien. Maar de oudjes van Niel-bij-As zeggen dat je op vrijdag de dertiende, als de maan half is en het bos stil, nog altijd het geluid kunt horen van honderd katten die tegelijk beginnen te spinnen.

Bron: Volksverhalen.be, overlevering uit Niel-bij-As
Wist je dat? In Niel-bij-As werden bij opgravingen aan de Weg naar As resten van middeleeuwse ijzerwinning gevonden. Het dorp lag in het hart van het oude ijzerwingebied van de Kempen, waar moeraserts werd gewonnen uit de heide. De “gnydige” grotten in het landschap zijn vermoedelijk restanten van oude zandsteengroeven.
Heimweer Heimweer

Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard