De verstoten koningin van Celle
Celle ligt aan de Aller, aan de zuidrand van de Lüneburger Heide. De binnenstad kwam ongeschonden door de oorlog: ruim vierhonderd vakwerkhuizen, balk naast balk, met jaartallen en spreuken in het hout gesneden. Aan de westkant staat het hertogelijk slot van Braunschweig-Lüneburg, met een slotkapel uit 1485 en een barok hoftheater uit 1674 dat nog altijd bespeeld wordt. Ten zuiden daarvan ligt de Franse tuin, en daarin staat een urn van marmer op een ronde sokkel. Wie in Celle vraagt voor wie die urn is opgericht, krijgt overal hetzelfde antwoord: voor de koningin die hier gestorven is, en die de stad nooit heeft laten vallen.
1 De koningsdochter en de lijfarts
Caroline Mathilde werd op 22 juli 1751 in Leicester House te Londen geboren, bijna vier maanden na de dood van haar vader, de prins van Wales. Zij was de jongste zuster van koning George III. Op haar dertiende werd zij verloofd zonder dat men het haar had gevraagd, op haar vijftiende getrouwd: op 8 november 1766, in slot Christiansborg te Kopenhagen, met haar neef Christian VII van Denemarken en Noorwegen.
Het huwelijk was koud. De koning lette nauwelijks op haar, en zijn geest brokkelde af. Zij kreeg twee kinderen, kroonprins Frederik in 1768 en Louise Augusta in 1771. In januari 1769 bracht de koning uit Altona een lijfarts mee, de Duitse verlichtingsman Johann Friedrich Struensee, de enige die met de zieke vorst kon omgaan. Struensee liet het koningspaar samen uitrijden; de koningin, negentien jaar oud, reed in een herenzadel en in een broek, wat in Kopenhagen groot opzien baarde. Uiterlijk in het voorjaar van 1770 waren zij geliefden. Tot januari 1772 regeerde Struensee het land in feite alleen en tekende meer dan duizend kabinetsbevelen: persvrijheid, afschaffing van de foltering, hervorming van bestuur en rechtspraak.
2 De verbanning naar Celle
De adel liet het daar niet bij. In de nacht na een gemaskerd bal op Christiansborg werd Struensee op 17 januari 1772 om vier uur in de ochtend gearresteerd; de koningin werd naar de burcht Kronborg gebracht. Op 8 maart 1772 ondertekende zij, nog geen eenentwintig jaar oud, een reeds opgestelde bekentenis, nadat men haar hoop had gegeven daarmee Struensees leven te redden. De Britse gezant Keith heeft tot zijn dood aan de echtheid van die handtekening getwijfeld. Op 6 april werd de scheiding uitgesproken, op 28 april werd Struensee terechtgesteld.
Haar broer George III eiste dat Denemarken de bruidsschat teruggaf en dat zij naar zijn eigen gebied kwam. Op 31 mei 1772 verliet zij Denemarken, zonder haar kinderen; zij heeft hen nooit teruggezien. In Kopenhagen werd zij daarna doodgezwegen, tot het oorlogsschip dat haar naam droeg toe. Eerst kwam zij op het jachtslot Göhrde terecht. Intussen werd slot Celle, dat sinds 1705 bijna zeventig jaar leeg had gestaan, voor haar opgeknapt en opnieuw ingericht, en het hoftheater volledig vernieuwd. In oktober 1772 reed zij Celle binnen. De stad ontving haar met feesten.
In Celle deed zij wat zij van Struensee had geleerd: zij hield open hof. Haar kleine hofhouding stond open voor alle standen. Zij ging dagelijks de stad in, met alleen haar hofdame Louise von Plessen naast zich, liet in het slottheater spelen, legde tuinen aan naar het voorbeeld van haar moeder en las veel. Omdat het gemis van haar kinderen haar niet losliet, nodigde zij steeds vaker kinderen uit en nam in 1773 de vierjarige halfwees Sophie von Bennigsen als pleegkind in huis, betaald uit haar eigen beurs.
3 De urn in de Franse tuin
In het voorjaar van 1775 heerste er roodvonk in Celle en omstreken. Haar pleegdochter werd ziek en de koningin zat een hele dag aan haar bed. De dag erna werd zij zelf ziek. Zes dagen later, op 10 mei 1775, stierf zij, nog geen vierentwintig jaar oud. Uit vrees voor besmetting werd zij nog diezelfde nacht bijgezet in de vorstengrafkelder van de Stadtkirche St. Marien, naast haar overgrootmoeder Sophie Dorothea van Celle, die ook om een liefdesgeschiedenis was verstoten en verbannen. Het praalgraf dat George III voor zijn zuster liet maken, was pas in 1789 klaar.
Dat het zo snel en zo stil was gegaan, wilde de stad niet aannemen. Er werd gefluisterd over gif uit Kopenhagen. Bewijs is er nooit gekomen, en de artsen hielden het bij de koorts. Maar de overlevering had haar oordeel al klaar, en dat oordeel luidde in Celle: onschuldig. Al in 1773 waren verzonnen brieven in omloop waarin zij haar eigen onschuld en die van Struensee betuigde, en na haar dood volgden nog vele geschriften over de koningin die aan de staatsraison was geofferd.
Enkele weken na haar begrafenis vroegen de ridderschap en de landstanden van het vorstendom Lüneburg toestemming om haar een gedenkteken op te richten. De opdracht ging naar Adam Friedrich Oeser uit Leipzig, en in 1784 stond het in de Franse tuin: een urn van Crottendorfer marmer met haar beeltenis, en daarboven een vrouwenfiguur op wolken die de urn kroont met lauwerkrans en palmtak, deugd en roem, en zonder een woord van aanklacht toch een uitspraak over haar onschuld. Aan de voet een moeder met haar kinderen, het volk dat haar had ingehaald. Zo staat het er nog, en zo vertellen de Cellenaren het: dat zij hier drie jaar lang de koningin heeft mogen zijn die zij in Kopenhagen nooit heeft kunnen worden.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


