Shield
Greifswald, Mecklenburg-Vorpommern / Vorpommern-Greifswald

De kloosterruïne van Eldena

Tier 0+ - Publiek 4 min Sage
Flag
Advertentie
OthalaOthalaHandgebouwde websites die je zelf bezit

Aan de Ryck, het riviertje dat ten oosten van Greifswald in de Dänische Wiek uitmondt, staat tussen oude bomen een ruïne van baksteen: de cisterciënzerabdij Eldena. Eeuwenlang heette de plek anders. In 1199 stichtten Deense monniken hier het klooster Hilda, genoemd naar de rivier die toen nog Hilda heette. Wie vandaag door de lege vensters van het westwerk kijkt, kijkt naar de beroemdste bouwval van Noord-Duitsland — en naar een plek waar de Pommerse verteller nog altijd iets te vertellen heeft.

HW HW

1 De monniken van Hilda

De voorgeschiedenis ligt in Denemarken. Vanuit de cisterciënzerabdij Esrom op Seeland was in 1172 bij Dargun een dochterklooster gesticht, en toen dat in 1198 in de oorlog tussen Denen en Brandenburgers verwoest werd, stonden de monniken op straat. Jaromar I, vorst van Rügen en getrouwd met een dochter van de Deense koning Knut V, bood hun een plek aan de monding van de Hilda aan. Vlakbij lag een winstgevende zoutpan, en dat gaf de doorslag: in 1199 begonnen zij te bouwen. Paus Innocentius III bevestigde het klooster in 1204, in een oorkonde die de naam opgeeft als Hilda of Ilda.

Die naam bleef lang aan de plek kleven. Een oorkonde van 1220 schrijft Hylda; de rivier zelf duikt pas in 1241 op als Hildam fluvium, twee generaties later dan het klooster. Juist daarom nemen naamkundigen aan dat de abdij naar het water werd genoemd en niet omgekeerd. De vorm Eldena is voor het eerst in 1347 opgeschreven, en zelfs in 1621 noteerde een schrijver nog Eldenow. Het water verloor zijn oude naam volledig en heet sindsdien Ryck. De heilige Hilda uit de kloosterkalender heeft er, hoe verleidelijk de gedachte ook is, niets mee te maken: het klooster draagt de naam van een rivier.

2 De greep in het woud

De monniken wilden een stad, niet te ver van de abdij maar beter landinwaarts. Zij stuurden mannen de Ryck op om een plaats te zoeken. Na een tijd bereikten die een fraai stuk oever, en toen zij van het water het bos in liepen om de grond te bekijken, vonden zij op een afgebroken boomstam een nest. Daarin zat een grote viervoetige greep met een dubbele staart te broeden. Dat leek de afgevaardigden een goed voorteken, en daar werd de stad gebouwd. Zo verklaart Temme in 1840 de naam Greifswald en het wapen van de stad, en hij noemt daarbij Bugenhagens «Pomerania» en de Greifswaldse weekbode van 1818 als zegslieden.

De oorkonden bevestigen het raamwerk van het verhaal. In 1241 kreeg het klooster zowel van vorst Wizlaw I als van hertog Wartislaw III het marktrecht; in 1249 moest het de marktnederzetting als leen aan de hertog afstaan, en al in 1250 verleende die haar het Lübische stadsrecht. De dochter groeide haar moeder boven het hoofd. De verjaagde greep, zegt de sage, bleef rondwaren in de Schuhhagen, de oudste buurt van de stad. Daar liep ’s nachts een grote vrouw met een rammelende sleutelbos en een kudde biggen voor zich uit, en een andere met sneeuwwitte ganzen; en soms sprong een zwarte raaf of een witte schimmel iemand op de schouders en drukte zo hard dat het bloed uit mond en neus kwam.

3 De zwarte poedel en de schilder

Temmes tweede Eldena-sage gaat over wat onder de ruïne ligt. Diep in de aarde zou een groot vertrek zijn, bereikbaar door een donkere gang die niemand meer kent. Er staat een tafel met een zwarte poedel erop, en ernaast een grote zwarte koets die door de hond bewaakt wordt. Wat het betekent weet men niet; het zal pas blijken wanneer het puin ooit helemaal geruimd is en de gang teruggevonden wordt. Zeventig of tachtig jaar voor Temme schreef, kwamen twee kapucijnen uit Rome naar Eldena en vroegen de landrijder naar een verborgen deur. Zij wisten de plek precies aan te wijzen; de knecht die met hen meeging groef de deur bloot, en die ging vanzelf open. In de laatste kamer zaten veel mensen te schrijven. De kapucijnen spraken lang met hen, en toen de knecht weer boven kwam, bleek hij drie jaar weg te zijn geweest.

De echte roof was prozaïscher. In 1535 werd het klooster geseculariseerd; hertog Philipp I maakte er een hoeve van. In 1634 schonk de laatste Pommerse hertog Bogislaw XIV het hele bezit aan de universiteit van Greifswald. De Dertigjarige Oorlog beschadigde de gebouwen, en tijdens de Zweedse tijd diende het klooster als steengroeve voor de vestingwerken van de stad. In 1728 brak de universiteit zelf mee af om ambtswoningen te bouwen. Toen Caspar David Friedrich de plek tekende, was er nog maar weinig over — en juist die brokstukken maakten hem beroemd. Vanaf 1828 werd er gegraven en beveiligd. De zwarte poedel is nooit gevonden.

Bron: J.D.H. Temme, «Die Volkssagen von Pommern und Rügen» (Berlijn 1840), nr. 116 «Der Name Greifswald» en nr. 202 «Die Klosterruine zu Eldena»; Temme verwijst naar Bugenhagens «Pomerania», Von Schwarz’ «Pommersche Städte-Geschichte» en de «Greifswalder wöchentlicher Anzeiger» van 1818.
Wist je dat? De ruïne van Eldena werd het beroemdste bouwvalmotief van de Duitse romantiek. Caspar David Friedrich, in 1774 in Greifswald geboren, gebruikte haar al in 1803 voor het winterblad van zijn jaargetijdencyclus, en later in «Abtei im Eichwald» (omstreeks 1809) en «Klosterruine Eldena» (omstreeks 1825), beide nu in de Alte Nationalgalerie in Berlijn. Rond de ruïne legde Peter Joseph Lenné een park aan. Sinds 1968 staat er een openluchttheater, en de oude bierkelder van de monniken is vandaag een beschermd winterverblijf voor vleermuizen.
Heimweer Heimweer

Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard