Het Petermännchen van het Schweriner Schloss
Het Schweriner Schloss, op een eiland tussen de meren van Mecklenburg, geldt als een van de mooiste sloten van Duitsland. Maar wie er ’s nachts door de gangen loopt, is nooit alleen. Al eeuwen waakt daar het Petermännchen: een gestalte niet hoger dan een elleboog, gekleed in zeventiende-eeuwse dracht, met lantaarn, sleutelbos en degen. Het beloont wie eerlijk is en plaagt wie kwaad in de zin heeft — zelfs de grote veldheer Wallenstein moest voor hem wijken.
1 De kleine wachter met de lantaarn
Wie het Petermännchen ooit heeft gezien, beschrijft steeds dezelfde gestalte: een mannetje van amper een elleboog hoog, met een oud, gerimpeld gezicht en een grijs baardje. Het draagt de dracht van een zeventiende-eeuwse ruiter: een hoed met veer, een wambuis, hoge laarzen met sporen en een degen aan de zijde. In de ene hand houdt het een lantaarn, aan de gordel rinkelt een zware sleutelbos. Zodra de nacht valt, begint zijn ronde: door de gangen, de zalen, de gewelven en de diepste kelders van het slot.
Het Petermännchen is een strenge maar rechtvaardige huisgeest. Wie eerlijk zijn werk doet, heeft niets te vrezen: trouwe knechten vonden weleens een geldstuk in hun zak, en menige schildwacht die insliep werd zachtjes gewekt voordat de officier zijn rondgang deed. Maar wee de dief of de indringer. Die kneep het in armen en benen, joeg het met gestommel en spookgeluiden door de gangen en liet het niet meer met rust tot hij zijn misdaad bekende of het slot voorgoed verliet.
2 Hoe Wallenstein het slot werd uitgeplaagd
In 1628, midden in de Dertigjarige Oorlog, ontnam de keizer de hertogen van Mecklenburg hun land en gaf het aan zijn veldheer Albrecht von Wallenstein. De nieuwe heer trok met groot gevolg de residentie van Schwerin binnen. Maar het Petermännchen erkende de indringer niet. De eerste nacht al begon het rumoer: deuren sloegen, sleutels rinkelden, stoelen schoven over de vloer, en uit de kelders klonk gehamer alsof honderd smeden aan het werk waren.
Nacht na nacht ging het door. Het mannetje trok Wallenstein de dekens van het lijf, kneep hem tot hij blauwe plekken had en fluisterde dreigementen in het donker. Geen wacht kon de plaaggeest vangen, geen gebed hem verdrijven; wie de kamer doorzocht, vond niets dan een spottend gegrinnik dat uit de muren leek te komen. Uitgeput en vertoornd gaf de veldheer het in 1629 op: hij verliet het slot en vestigde zijn hof elders in het land. Toen de rechtmatige hertogen enkele jaren later terugkeerden, zo vertelt men, stond het Petermännchen met opgeheven lantaarn aan de poort — een wachter die zijn dienst nooit had opgegeven.
3 Oude god of verbannen smid
Waar het Petermännchen vandaan komt, weet niemand zeker. De oudste verklaring wijst naar de Slavische tijd: op het sloteiland stond ooit een burcht van de Obotriten, met een heiligdom van hun goden. Toen het christendom kwam, zo zegt men, kromp de oude god van de burchtwal — sommigen noemen hem Radegast — tot een klein kereltje dat zijn eiland nooit heeft willen verlaten. Anderen vertellen dat het een verbannen smidsgeest is, die diep onder het slot aan zijn aambeeld moet werken. Zijn naam zou komen van de Petersberg bij Pinnow, vanwaar een onderaardse gang naar het slot zou leiden.
Aan het huis Mecklenburg bleef het mannetje eeuwenlang verbonden. Verscheen het vrolijk, in schone kleren en met heldere lantaarn, dan stond het huis geluk te wachten: een geboorte, een bruiloft, een goede tijding. Toonde het zich somber, in het zwart of met gedoofde lamp, dan volgde onheil: oorlog, brand of een sterfgeval. De sage werd in 1858 opgetekend door August Niederhöffer in zijn verzameling Mecklenburgse volkssagen. En wie vandaag door het slot dwaalt en ergens sleutels hoort rinkelen zonder iemand te zien, die weet: de kleine wachter doet nog altijd zijn ronde.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


