De prins met het zilveren been van Bad Homburg
Boven de daken van Bad Homburg vor der Höhe staat een witte toren van achtenveertig meter, het enige wat van de middeleeuwse burcht in de Taunus is overgebleven. Aan zijn voet ligt het barokke slot van landgraaf Friedrich II van Hessen-Homburg (1633–1708), de man die de geschiedenis in ging als «de prins met het zilveren been». Hij verloor zijn rechteronderbeen voor Kopenhagen, reed met een kunstbeen mee bij Fehrbellin, en werd anderhalve eeuw later door Heinrich von Kleist tot toneelheld gemaakt.
1 Het been voor Kopenhagen
Friedrich werd op 30 maart 1633 in Homburg vor der Höhe geboren, als zevende en laatste kind van landgraaf Friedrich I. Als jongste zoon van een piepklein landgraafschap erfde hij weinig meer dan een naam en zocht hij, als zoveel Duitse prinsen, zijn fortuin in vreemde krijgsdienst. Hij diende bij de Zweden. In 1659, tijdens de Tweede Noordse Oorlog, lag het Zweedse leger voor Kopenhagen. Bij de bestorming van de stad werd Friedrich zwaar gewond; zijn rechteronderbeen moest worden afgezet. Hij was zesentwintig jaar oud.
Een prins zonder been was in de zeventiende eeuw een prins zonder loopbaan. Friedrich gaf zich niet gewonnen. Aan zijn hof werkte Paul Andrich, alchemist en bouwmeester, en die ontwierp omstreeks 1673 en 1674 een kunstbeen dat zijn tijd ver vooruit was. De hofdraaier Berthold voerde het uit. Het werd achtennegentig centimeter hoog en bestond uit vier delen: een heupgordel, een dijstuk met een ijzeren korf in hout gevat, kuitschalen van licht hout en een voetstuk met een enkelgewricht in messing. Binnenin zaten stalen veren; een spiraalveer in de hiel lichtte de voet bij elke stap een graad of vijftien op. Het geheel was gevoerd met schapenwol en geitenleer. Het volk zag vooral het blinkende metaal van scharnieren en beslag en noemde het kortweg het zilveren been.
2 Fehrbellin, 18 juni 1675
In de zomer van 1675 viel een Zweeds leger de Mark Brandenburg binnen, terwijl keurvorst Friedrich Wilhelm met zijn troepen ver weg aan de Rijn stond. De keurvorst marcheerde in ijltempo terug. Zijn ruiterij werd aangevoerd door de landgraaf van Hessen-Homburg. Op 18 juni 1675 naar de oude kalender, 28 juni naar de nieuwe, stonden de Brandenburgers bij Hakenberg tegenover de Zweedse veldmaarschalk Wrangel, die zich had opgesteld om de terugtocht van zijn leger te dekken.
Om acht uur in de ochtend opende de Brandenburgse artillerie het vuur op een gat in de Zweedse rechtervleugel. Wat daarna volgde, is de kern van de overlevering. Friedrich, die op de rechterflank stond en gevaar liep te worden afgesneden, wierp zich met zijn ruiters op de aanstormende Zweden en dwong hen tot de terugtocht. De Zweden verloren ongeveer tweeduizend vierhonderd doden, de Brandenburgers zo’n vijfhonderd man. Het was de eerste zelfstandige overwinning van Brandenburg op de troepen van een grote mogendheid, en pas na Fehrbellin raakte de titel Grote Keurvorst voor Friedrich Wilhelm in zwang.
Wat de berichten niet eensluidend zeggen, is of de landgraaf mét of zónder bevel losbrak. Sommige lezingen laten hem op eigen houtje aanvallen, andere schrijven de aanval uitdrukkelijk toe aan een bevel van de keurvorst. Vast staat dat hij sinds 1659 op een kunstbeen liep en dat het been uit Andrichs werkplaats twee jaar voor de slag gereed was. In de overlevering rijdt hij die morgen met dat been in de stijgbeugel.
3 De Witte Toren en de prins van Kleist
Vijf jaar na Fehrbellin, op 14 mei 1680, werd in Homburg de eerste steen gelegd voor een nieuw slot. De middeleeuwse burcht werd afgebroken en vervangen door een barokke residentie met een geometrische tuin; rond 1685 was het werk grotendeels klaar. De ontwerpen kwamen van diezelfde Paul Andrich die het kunstbeen had bedacht: de man die het been van de landgraaf tekende, tekende ook zijn huis. Eén ding liet Friedrich staan, de oude bergfried uit het derde kwart van de veertiende eeuw. Achtenveertig meter hoog en wit gepleisterd steekt hij nog altijd boven de stad uit als haar herkenningsteken, de Weißer Turm.
Friedrich stierf op 24 januari 1708 in de stad waar hij geboren was. Zijn roem kwam een eeuw later en uit een heel andere hoek. In 1809 en 1810 schreef Heinrich von Kleist het drama «Prinz Friedrich von Homburg oder die Schlacht bei Fehrbellin». Het verscheen pas in 1821, tien jaar na Kleists dood, en werd datzelfde jaar in Wenen voor het eerst gespeeld, verkort en onder een andere titel. Kleist had gelezen bij Frederik de Grote, die in 1751 noteerde dat de prins van Hessen-Homburg bij Fehrbellin eigenmachtig had aangevallen.
Wat Kleist daarvan maakte, is literatuur. Hij veranderde «zonder bevel» in «tegen het bevel». Hij liet zijn prins slaapwandelen, verliefd worden op een verzonnen nicht Natalie, het krijgsberaad missen en na de overwinning ter dood veroordeeld worden om zijn ongehoorzaamheid, tot hij het vonnis zelf rechtvaardig noemt en genade krijgt. Van dat alles staat niets in de bronnen; de toneelfiguur deelt met de echte landgraaf weinig meer dan zijn naam. Maar wie vandaag in Bad Homburg de prothese ziet liggen, kijkt naar het enige stuk van het verhaal dat niemand heeft hoeven verzinnen.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


