De rattenvanger van Hamelen
Hamelen aan de Wezer werd geteisterd door ratten. Een vreemdeling in bonte kleren bood aan de stad ervan te verlossen voor een afgesproken loon. Hij speelde op zijn fluit, de ratten volgden hem de rivier in en verdronken. Toen de raad weigerde te betalen, kwam hij terug op een zondag in juni en speelde opnieuw. Ditmaal volgden de kinderen. Honderddertig van hen verdwenen en werden nooit teruggezien.
1 De man in de bonte jas
Hamelen lag goed: aan de Wezer, aan de graanhandel, met volle pakhuizen en volle kelders. Waar graan ligt, komen ratten, en in het jaar 1284 waren het er zoveel dat ze in de voorraadkamers over elkaar heen liepen en de katten het opgaven.
Toen kwam er een man de stad binnen die niemand kende. Hij droeg een jas van veelkleurige lappen, wat hem zijn naam gaf: de bonte man, de Bundting. Hij zei tegen de raad dat hij de stad van het ongedierte kon verlossen, en noemde zijn prijs. De raad, die de schade zag oplopen, beloofde te betalen.
De man nam een fluit uit zijn gordel en begon te spelen. Uit alle huizen, kelders, schuren en stallen kwamen de ratten. Ze verzamelden zich achter hem alsof ze aan een touw liepen. Hij ging de straat af naar de Wezer, stapte tot aan zijn knieen het water in en bleef spelen. De hele grauwe stroom volgde hem de rivier in en verdronk.
2 Het loon dat niet betaald werd
De stad was gered en de raad kreeg spijt van zijn belofte. Het bedrag leek nu buitensporig; het werk had immers niet meer dan een middag geduurd. Men bood minder. Men vroeg waar het bewijs was dat hij het gedaan had en niet het toeval. Men liet hem wachten, en toen hij aandrong, stuurde men hem weg.
De man zei weinig en vertrok. Wat men in Hamelen had moeten begrijpen, was dat iemand die de ratten kan laten lopen, ook iets anders kan laten lopen.
Hij kwam terug op 26 juni, Sint-Jan en Paulus, een zondagmorgen. De volwassenen waren in de kerk. Ditmaal droeg hij geen bonte jas maar het kleed van een jager, en een rode, vreemde hoed. Hij zette de fluit aan zijn mond en speelde een andere wijs door de straten van de stad.
3 Honderddertig
Uit de huizen kwamen de kinderen. Jongens en meisjes vanaf vier jaar, ook de dochter van de burgemeester. Ze liepen achter hem aan zoals de ratten hadden gedaan, in stilte, zonder dat iemand ze tegenhield, want de ouders zaten in de kerkbanken en hoorden alleen het orgel.
Hij leidde ze de stad uit, door de Oosterpoort, naar de heuvel die de Koppenberg heet. Daar ging de berg open, of sloot het bos zich achter hen, dat verschilt per verteller. De kinderen gingen naar binnen en de berg ging dicht.
Twee kwamen er terug. De ene was blind en kon de plaats niet aanwijzen; de andere was doof en kon niet zeggen wat hij gezien had. Een derde, zegt men, was omgekeerd om zijn jas te halen en kwam daardoor te laat. Honderddertig kinderen bleven weg.
Hamelen heeft de dag nooit losgelaten. De straat waar de kinderen liepen heet nog altijd de Bungelosenstrasse, de straat zonder trom: daar mag tot vandaag niet gespeeld of gedanst worden. Historici hebben de sage geprobeerd te verklaren als een pestepidemie, als een kinderkruistocht, en het meest overtuigend als de oostkolonisatie, waarbij ronselaars jonge Hamelaars wegvoerden om nieuwe dorpen te stichten in Moravie en Pommeren. Wat er ook gebeurd is, de stad heeft het opgeschreven alsof het gisteren was.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


