De soldaten van Sint-Cornelius te Carnac
Aan de zuidkust van Bretagne, tussen de baai van Plouharnel en de rivier van La Trinité-sur-Mer, staan duizenden opgerichte stenen in lange rijen door de heide. Ze lopen door over meer dan vier kilometer: sommige komen amper tot de knie, andere steken boven een ruiter uit. Wie ze voor het eerst ziet, denkt onwillekeurig aan een leger dat in volle mars is blijven staan. De Bretoenen dachten dat ook. In het land van Carnac heetten deze stenen eeuwenlang geen menhirs maar soudarded Sant Korneli, de soldaten van Sint-Cornelius — en men wist heel goed te vertellen hoe zij daar terecht waren gekomen.
1 De paus met de zee in de rug
Cornelius was bisschop van Rome in de jaren 251 tot 253. Hij stierf in ballingschap, niet ver van de stad. Dat is de geschiedenis. De Bretonse overlevering weet het anders, en vooral veel verder van huis.
In het verhaal zoals men het in het land van Carnac vertelde, trok Cornelius weg uit Rome met niets dan twee ossen. Die droegen zijn bagage, en wanneer zijn benen het begaven, droegen ze ook hem. Zo kwam hij door het land van de Galliërs, en zo bereikte hij ten slotte Armorica, het uiterste gewest, waar de wegen ophouden en het water begint. Achter hem aan kwamen de soldaten van de keizer, die hem geen dag met rust lieten.
Op een avond stond hij aan de kust. Voor hem lag de zee, grijs en zonder enig schip; achter hem hoorde hij het ijzer. De soldaten kwamen niet in wanorde aan, zegt het verhaal, maar in slagorde, rij na rij over de heide uitgespreid. Cornelius keerde zich om. Hij hief zijn hand en sprak, en waar iedere man stond, bleef hij staan — niet langer als man maar als graniet. Sommige verhalen voegen eraan toe dat de heilige zich eerst in het oor van een van zijn ossen verborg en pas van daaruit het woord uitsprak.
2 Het beeld tussen twee ossen
Van alle heiligen van Bretagne is Cornelius die van het hoornvee geworden, en het verhaal legt zelf uit waarom. Hij dankte zijn redding aan een os; wie een os bezat, mocht dus iets van hem terugverwachten. De naam hielp mee: wie Cornély zegt, hoort er de hoorn in.
Midden in het dorp staat zijn kerk. Ze werd in de zeventiende eeuw opgetrokken, met een toren uit 1639, en boven de gevel staat de heilige in een nis, geflankeerd door twee ossen die rustig naast hem blijven alsof er nooit iets gebeurd is. Vlakbij ligt een oude fontein die zijn naam draagt. Dat men in 1629 stenen uit de rijen brak om aan die kerk te bouwen, geeft het verhaal een wrange draai: een deel van het versteende leger kwam in de muren van de heilige zelf terecht.
Op de tweede zondag van september werd het pardon gehouden. Dan kwamen de boeren van heel de streek met hun vee naar het dorp: ossen met gepoetste hoorns en linten aan het juk, koeien aan een touw. De dieren werden rond de kerk geleid en met wijwater gezegend, zodat ze het jaar zouden doorkomen. Tot in de jaren zestig ging dat zo. Vandaag staan er vooral paarden onder het beeld, en elders in de Morbihan zegent men op die dag de tractoren. Het gebaar bleef; alleen het dier is veranderd.
3 Wat de stenen zelf zijn
De rijen zijn ouder dan Rome, ouder dan de Kelten. Ze werden opgericht in het neolithicum, ruwweg tussen 5000 en 3000 jaar voor onze jaartelling, door boerengemeenschappen waarvan wij de taal noch de goden kennen. Samen tellen zij ongeveer drieduizend stenen. Bij Le Ménec staan er ruim duizend in elf rijen over bijna een kilometer; bij Kermario nog eens ruim negenhonderd over elfhonderd meter; bij Kerlescan, het best bewaarde veld, een driehonderd stuks in dertien rijen. Alles is plaatselijk graniet. De hoogste stenen, tot vier meter, staan in het westen, en naar het oosten toe worden ze kleiner en kleiner — wat vreemd genoeg precies lijkt op een leger met de aanvoerders vooraan.
Er hoorde meer bij dan het verhaal van de heilige. Men vertelde dat de stenen in de kerstnacht hun plaats verlaten om in de rivier te gaan drinken, en dat wie hen dan durft te naderen niet terugkomt: op hun weg terug verpletteren zij alles wat er staat. Aan de voet van iedere steen zou goud liggen, maar het is dodelijk goud. Tellen mocht men ze evenmin; wie het probeerde, kwam nooit aan het einde van de rij.
Toen men in de negentiende eeuw eindelijk ging tellen en meten, lag twee derde van de stenen omver, uitgebroken voor muurtjes, huizen en wegen. In 1889 werden de velden beschermd, in 2025 werden ze werelderfgoed.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


