Sint-Veranus en de draak van de Queyras
Op ruim tweeduizend meter, achterin het dal van de Aigue Blanche, ligt een dorp dat zijn naam dankt aan een bisschop uit de Provence en aan een gewond monster. Men vertelt in Saint-Véran dat de draak van de Sorgue hierboven is komen sterven, en dat overal waar onderweg een druppel van zijn bloed viel een dorp zijn naam kreeg.
1 Het beest in de grot van de Sorgue
Daar waar de Sorgue in één keer uit de rots van de Vaucluse springt, lag volgens de overlevering een hol. Daarin huisde de Coulobre — een drac, een waterwezen zo oud als de bron zelf. Kanunnik François Mathieu, die in 1665 te Avignon het leven van de heilige liet drukken, beschreef het dier zoals men het zich toen voorstelde: bedekt met schubben waar geen enkel wapen doorheen ging, ogen rood en fonkelend als twee luchtgaten van een brandende oven, en een rokende adem waaruit men van verre opmaakte dat het vlammen braakte. Het had vleugels; wie het over het veld zag aankomen, had geen tijd meer om weg te gaan.
De mensen van de streek gingen naar hun bisschop. Véran van Cavaillon, geboren in het Gévaudan, priester gewijd in 540 en bisschop sinds 568, droeg geen zwaard. Hij nam het kruisteken en liep de grot binnen. Daar beval hij het beest zich te vertonen.
En het beest kwam. Het kroop naar buiten en ging aan zijn voeten liggen, zegt de legende, als een hond die zijn meester herkent. Véran spaarde het. Hij legde het in ketenen, sleepte het mee tot aan de voet van de Luberon, en gaf het daar de vrijheid terug — op één voorwaarde: dat het de streek verliet en nooit meer een mens of een dier kwaad zou doen.
2 Het spoor van bloed
De draak ging. Maar hij was gewond, en hij bloedde de hele weg. Overal waar een druppel viel, zegt men, bleef iets van de heilige achter: daarvandaan komen de dorpen die in Frankrijk Saint-Véran of Saint-Vérand heten, in de Isère, in de Rhône, in de Saône-et-Loire. Men rekent er ook Saint-Vran en Saint-Vérain bij. Een andere lezing wil dat Véran het beest vergiftigd heeft: het sleepte zich toen langs de Durance omhoog, verloor onderweg zijn bloed en stierf ten slotte op de berg Beauregard, boven het dorp dat sindsdien zijn naam draagt. De zes plaatsen die het passeerde, kregen dezelfde naam.
De bisschop zelf is geen verzinsel. Véran zat in 585 op het tweede concilie van Mâcon tussen zestien Provençaalse bisschoppen; hij durfde koningin Frédégonde de moord op de aartsbisschop van Rouen recht in het gezicht te verwijten; in 589 stierf hij te Arles aan de pest, en zijn feest valt op 19 oktober. Men heeft hem tot beschermheilige van de trekkende herders gemaakt, en juist daarom kent men hem hierboven: het waren herders uit de Provence die in de zomer de weiden van de Queyras opzochten en zichzelf en hun kudden onder zijn hoede stelden.
En de draak? De mensen van het dorp lezen er zelf ook iets anders in: de droogtejaren, de pest, de cholera — alles wat een hoogdal kon leegmaken.
3 Het dorp dat het brood van God eet
Waar de draak viel, rekt zich nu een dorpsstraat uit die in vijf wijken is verdeeld. De drempel van de kerk ligt op 2 042 meter, de torenspits op 2 070. Saint-Véran geldt als de hoogste permanente bewoning van de Franse Alpen en noemt zichzelf graag de hoogste gemeente van Europa; eerlijkheidshalve zegt men erbij dat het Zwitserse Juf en het Italiaanse Trepalle hoger liggen, maar gehuchten zijn van gemeenten die lager beginnen.
Op de muur van de kerk staat een zonnewijzer met een zin in het Provençaals: «Lou plus aouto coumunoutas inte se mangeu lou pan de Diou» — de hoogste gemeente waar men het brood van God eet. De echte trots waren niet de meters, maar de rogge, die hier nog groeide en droogde zonder te beschimmelen. Men droogde hem in de fuste: de bovenbouw van gestapelde lariksstammen, op de hoeken gekruist, met open galerijen waar de lucht doorheen trekt om hooi en oogst te luchten, onder een dak van lariksspanen. Beneden stond het vee, en daarnaast sliepen de mensen in gesloten bedsteden, in de warmte van de dieren. Aan de zijkant het caset van steen met leien dak: keuken, broodkast, een zomerkamer.
Elke wijk had zijn oven en zijn fontein van lariksbout, met de ronde tino als drinkbak en de rechthoekige batchas voor de was. Van het voorjaar tot de herfst bakte men eenmaal per maand. Vierentwintig zonnewijzers staan er op de gevels, de mooiste van de rondtrekkende Piemontees Zarbula; zes zendingskruisen stonden er langs de weg. Sinds de overstromingen van 1957 de kanalen naar de molens wegsloegen, wordt hier geen rogge meer gemalen. Maar de oven van La Ville brandt nog.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


