De bron in de kerker van Batenburg
Waar de Maas een grote bocht maakt tussen Appeltern en Niftrik ligt Batenburg, een stadje van ruim vijfhonderd inwoners in het Land van Maas en Waal. Het heeft een kasteelruïne op een motte, een standerdmolen buiten de dijk en een voetveer dat in de zomer fietsers naar het Brabantse Demen zet. De heren die hier zetelden waren bannerheren: zij hielden hun gebied rechtstreeks van de Duitse keizer in leen en waren aan niemand anders verantwoording schuldig. Van al die macht is een ruïne over — en een verhaal over water, over een bron die opwelde waar geen druppel te krijgen was.
1 De wreedaard van de Maaskant
De legende die Anton van Oirschot optekende in «Spoken en kastelen in Nederland» speelt zich af in de kelders onder het kasteel. Op Batenburg woonde de jonkvrouw van Wychen, getrouwd met de heer van Batenburg, in de streek niet anders bekend dan als de wreedaard van de Maaskant. Hij had gevangenen laten opsluiten in de kerkers onder de burcht, mannen die ziek en gewond waren. Zij smeekten om water. Zij kregen geen druppel.
De jonkvrouw kon niets tegen de wreedheid van haar man beginnen. Terwijl zij daarover zat te klagen, fluisterde ineens een stem naast haar: «Is God er dan niet meer? Bat en Borgh.» Het was de naam van het huis waarin zij woonde, uiteengelegd in twee woorden die baat en beschutting beloven. Zij begon te bidden. Toen werd de kerker plotseling verlicht en ontsprong er in de vloer een waterbron. De mannen dronken, de heer van Batenburg kwam tot inkeer en gaf hun de vrijheid terug.
Het is een wonderlegende van het klassieke soort: de machteloze vrouw die bidt, de stem die de naam van het huis tot een belofte maakt, de tiran die breekt. Dat de jonkvrouw uit Wijchen komt is geen toeval — Batenburg en Wijchen zijn zelfs in hun wapen aan elkaar geklonken. En de bron, wordt verteld, heeft daarna nog vele jaren gestroomd.
2 De put onder de Bronckhorstertoren
Onder de Bronckhorstertoren, de enige toren die nog grotendeels overeind staat, liggen goed bewaarde kelders met schietgaten. Daar ligt ook de put die in Batenburg de Willibrordusput heet. De overlevering wil dat de heilige Willibrord de heer van Batenburg persoonlijk bekeerde, en het bestaan van die put werd daarvoor als argument aangevoerd. Steekhoudend bewijs is er niet, zoals de plaatselijke erfgoedstichting er eerlijk bij zegt.
Wat wel zwart op wit staat, is dat het water van Batenburg verkocht werd. Tegenover de poort van het kasteel bevond zich, achter een fraaie dubbele deur, een put met heilig bronwater dat genezende kracht tegen koorts zou bezitten; de poortwachters verkochten het per emmer. De Geldersche Volksalmanak vermeldt het. Het past in een streek waar men de koorts te lijf ging met wat voorhanden was: in Bergharen stond een koortsboom, en in de laatste koortsboom van Nederland, een eik bij Overasselt, worden nog altijd lapjes stof geknoopt.
Boven diezelfde poort zou een gevelsteen hebben gezeten die in oude letters meldde dat het slot was gebouwd op de fundamenten van een tempel van Mars Victor, in het jaar 327 — andere lezingen maken er 527 van. Nog ouder is de naamsverklaring uit het Zeeuwsch sagenboek van J.R.W. en M. Sinninghe (1933): de broers Bato en Zalandus vluchtten over de Rijn, waarna Bato hier de Batenburg bouwde en Zalandus doortrok naar Zeeland. Bij de oude kerk vonden archeologen sporen uit de pre-Romeinse ijzertijd; Bato en de Romeinen bleven onbewezen.
3 Het vuur van 1794 en wat er bleef
Het kasteel groeide mee met zijn tijd. Op de motte stond eerst een vierkante tufstenen toren; omstreeks 1350 kwam daar een ronde bakstenen ringmuur omheen, rond 1500 verwoest en na 1540 herbouwd. Daarna volgden drie halfronde torens met een poortgebouw, rond 1600 woonvertrekken en in 1686 een grote woonvleugel aan de westzijde. Een achttiende-eeuwse beschrijving roemt de pragtige en luchtige vertrekken en de groote overwelfde kelders.
In 1794 staken Franse troepen het geheel in brand. Wat overbleef raakte in de negentiende eeuw verder in verval, vooral doordat omwonenden de ruïne als steengroeve gebruikten. Het archief van de heerlijkheid ging in 1795 verloren, en daarmee zelfs het bouwjaar van de molen. Die staat er nog: een gesloten standerdmolen uit de achttiende eeuw, met opzet buiten de stad gezet zodat hij bij beschietingen geen gevaar zou opleveren. Het recht daartoe kreeg de heer in 1531; de boeren van Batenburg, Leur en Horssen moesten er verplicht malen.
Sinds 1953 is de ruïne staatsbezit; tussen 1988 en 1992 zorgde Geldersch Landschap & Kasteelen ervoor dat er niets meer afbrokkelde, en in 2017 nam die stichting ook de molen over. Batenburg is sinds 12 juli 1967 beschermd stadsgezicht. In de zomer wordt bij de ruïne openluchttheater gespeeld en zet Het Heerlijk Veer fietsers over naar Demen. De put onder de toren verkoopt geen emmers meer. Maar wie beneden in die kelders staat, begrijpt waarom men hier ooit geloofde dat er onder de grond iets opwelde wat boven niet te koop was.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


