De Hampoort en de zwarte hond van Grave
Waar de Raam in de Maas valt ligt Grave: een ronde vestingstad met een regelmatig stratenplan, eeuwenlang de enige versterkte plaats van het Land van Cuijk. Geen stad van de Zuiderwaterlinie is zo vaak belegerd. Van al haar poorten staat er nog één overeind, de Hampoort uit 1688, zwaar en breed en van binnen met een knik. Wie er doorheen kijkt, ziet de heide waar volgens de oude sagenboeken een zwarte hond rondliep met een gloeiende sleutel in zijn bek.
1 De poort die overbleef
De Hampoort heet naar de ham, de uitgeslibde hoek land die buiten de poort lag; in oudere stukken heet zij ook de Bossche Poort. Een Hampoort wordt al in 1309 in de archieven genoemd, maar die stond elders, in de huidige Hamstraat. In 1626 werd de poort op bevel van de Staten-Generaal verlegd in de richting van de kruising Hamstraat-Gasthuisstraat.
De poort die er nu staat is jonger. Nadat het beleg van 1674 de vestingwerken had stukgeschoten, werd Grave tien jaar lang opnieuw versterkt, en tussen 1686 en 1688 verrees de nieuwe Hampoort in de stijl van het Hollands classicisme. In het timpaan aan de landzijde staat het jaartal 1688, met de wapens van de Republiek der Verenigde Nederlanden en van koning-stadhouder Willem III. De overdekte doorgang heeft ribloze kruisgewelven en twee knikken — geen bouwfout maar een verdedigingsmaatregel, want zo kon niemand dwars door de poort heen schieten.
In de zeventiende en achttiende eeuw konden er twee bataljons voetvolk in de poortruimten liggen; rond 1814 diende het gebouw als bakkerij en als militair hospitaal. Eronder loopt een gang van ongeveer vijftig meter die uitkomt op het niveau van de waterspiegel van de gracht, waarschijnlijk een vluchtweg of een riool. Toen Grave zijn vestingstatus verloor en de werken tussen 1876 en 1914 werden geslecht, bleef van alle stadspoorten alleen de Hampoort staan. In 1990 werd zij opgenomen in de Top 100 van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg; in haar vleugels zitten nu het Stadsmuseum Grave en de gildekamer van het Cloveniersgilde.
2 Honderdduizend kogels
Grave is gegroeid rond het kasteel dat Herman van Cuijk omstreeks 1145 bij de monding van de Raam liet bouwen, nadat zijn burcht te Cuijk was verwoest. In 1233 kreeg de plaats stadsrechten van de hertog van Brabant, en al snel was zij de grootste en de enige versterkte plaats van het Land van Cuijk. Dat maakte haar tot doelwit.
In 1586 nam Parma de stad in. In 1602 kwam Maurits met twintigduizend man voor een garnizoen van vijftienhonderd liggen; het beleg duurde bijna twee maanden, en op 20 september gaf de stad zich over, net op tijd, want het water van de Maas steeg snel. Acht dagen later werd Maurits te Grave ingehuldigd als graaf van het Land van Cuijk.
Het zwaarst was 1674. De Fransen hadden Grave op 5 juli 1672 vrijwel zonder slag ingenomen, en hun bevelhebber Noël Bouton de Chamilly maakte er een egelstelling van. Op 25 juli 1674 begon luitenant-generaal Carl von Rabenhaupt, toen eenenzeventig jaar oud, het beleg. De belegeraars leidden de Raam om, zodat hun eigen loopgraven water kregen en de grachten van Grave leegliepen; Menno van Coehoorn kwam adviseren, en Willem III nam met tienduizend man het bevel over. Ruim honderdduizend kogels en drieduizend bommen sloegen in op een vesting van enkele tientallen hectaren. Op 27 oktober capituleerde Chamilly op zeer gunstige voorwaarden en mocht met de eer van de wapenen uittrekken. Willem III woonde de volgende dag een dankdienst bij in de zwaar beschadigde Sint-Elisabethkerk. Daarna werd de vesting naar de nieuwste inzichten herbouwd, het kasteel gesloopt en de Hampoort gezet.
3 Wat er op de heide rondwaarde
Van al dat kruit zwijgen de sagenboeken. Wat zij van Grave onthouden hebben speelt buiten de wallen, op de heide. J.R.W. Sinninghe nam in zijn Noord-Brabantsch Sagenboek van 1933 onder nummer 100 op dat op de heiden, bij Grave, een zwarte hond spookte met een gloeiende sleutel in zijn bek. Drie nummers verder staan de andere spookdieren die daar rondwaarden: een ezel met een ijzeren poot, en een varken. Voor beide verwees Sinninghe naar een bericht in het tijdschrift Antiquiteiten van 1823.
Onder nummer 271 tekende hij een legende op die hij Het verzonken klooster noemde. Te Velp, bij Grave, ligt een zwarte waterpoel; daarin is tijdens een schrikkelijke aardbeving een heel klooster gezonken. Werpt men er een steen in, dan galmt een holle klank op, want de steen valt op de klok. En bij alle grote kerkelijke feesten hoort men ’s nachts de getijden in het klooster zingen. Sinninghe zette er zelf bij dat men hetzelfde vertelt van het klooster van Flers in Normandië en van het Solsche Gat op de Veluwe.
De buurdorpen hadden nog een ander soort verhaal over Grave. Willem de Blécourt nam in Volksverhalen uit Noord-Brabant twee spotnamen op. De boeren noemden de stedelingen keienschijters, waarop de getergde burgers terugbeten dat de keien die zij schijten bij de boeren in de pap gebrokkeld werden. De tweede naam was Klitsbillen: Gravenaren die er niet tegen konden dat vreemden hun meisjes het hof kwamen maken, keerden hun de rug toe en sloegen met de vlakke hand tegen hun achterste. En er hoorde een rijmpje bij: Grave is een stad, Ravestein is nog wat, maar Megen is een gat.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


