Ajuinen
Er zijn veel spotnamen in Vlaanderen, maar weinige zijn zo stevig verankerd als die van Aalst. Wie uit Aalst komt, is een ajuin — en dat is geen belediging, dat is een vaststelling.
1 Het ajuinveld
Wie in de negentiende eeuw over de heuvels ten zuiden van Aalst keek, zag geen tarwe en geen rogge, maar rij na rij uien — glanzend en bol, met groene stengels die in de wind wuifden als soldaten die salueren. De grond rond de Dender was vruchtbaar en vochtig, ideaal voor de teelt van gewassen die van water hielden. En geen gewas hield meer van die Aalsterse klei dan de ajuin.
De uienteelt was geen bijzaak. Het was de ruggengraat van de Aalsterse economie, naast de hophandel. Op de markt in het centrum stonden de kramen vol met uien in alle maten: kleine zilveruien voor het inleggen, grote gele voor de stoofpotten, rode voor de salade. De geur van uien hing over de stad als een onzichtbare deken — scherp, aards en onmiskenbaar.
Er was zelfs een Ajuinstraat, die naar het Ajuinveld leidde, een uitgestrekt perceel aan de rand van de stad waar de uien groeiden. De straat heet nu Felix de Hertstraat, en het veld is volgebouwd met huizen. Maar in de herinnering van Aalst liggen de uien er nog.
2 De spotnaam
Wanneer precies de Aalstenaars ’ajuinen’ werden genoemd, weet niemand met zekerheid. De oudste geschreven vermelding stamt uit 1843, in een Oost-Vlaams volkslied uit Dendermonde dat de inwoners van verschillende steden op de hak neemt. De Aalstenaars worden er ’ajuinpelders’ genoemd — uienschillers, mensen die de hele dag met uien bezig waren.
De naam had varianten: ajuinboeren, ajuinfretters, ajuinkoppen. Maar uiteindelijk bleef het simpelste woord over: ajuinen. In 1925 noteerde het Woordenboek Van Dale het als ’een van de nieuwste maar zeker de meest gebruikelijke spotnaam’ voor de Aalstenaars — een naam die alle oudere bijnamen had verdrongen.
Was het een compliment? Nee. Was het een belediging? Niet echt. Het was vooral een vaststelling: Aalst rook naar uien, handelde in uien, en at uien bij elke maaltijd. Wie daarmee een probleem had, moest maar een andere stad zoeken.
3 De ajuin leeft voort
De uienvelden zijn verdwenen. De Ajuinstraat heeft een andere naam. Maar de ajuin leeft voort in Aalst, hardnekkiger dan welk gewas ook. Tijdens het carnaval — het feest dat Aalst al sinds de vijftiende eeuw in zijn greep houdt — worden op maandagavond houten ajuintjes van het stadhuis en de cafés rond de Grote Markt naar het publiek gegooid. Het is de ajuinworp, een traditie die de band tussen de stad en haar spotnaam elk jaar opnieuw bevestigt.
En als je aan een Aalstenaar vraagt of hij zich schaamt voor die naam, kijkt hij je aan alsof je gek bent. ’Schamen?’ zegt hij. ’De ajuin is het eerlijkste gewas dat er bestaat. Laag na laag, zonder geheimen. Wat je ziet is wat je krijgt. Als dat geen compliment is, weet ik het ook niet meer.’
Zo draagt Aalst zijn spotnaam als een merk — niet op de mouw maar op het hart. En wie er doorheen prikt, zoals bij een echte ajuin, vindt niets dan meer lagen van dezelfde trots.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


