Shield
Aarsele, West-Vlaanderen

De Duivelsput

Tier 0+ - Publiek 5 min Sage
Flag
Advertentie
OthalaOthalaHandgebouwde websites die je zelf bezit

Tussen Aarsele en Kanegem, waar het Tieltse Bos overgaat in weilanden, ligt een donkere poel die de plaatselijke bevolking de Duivelsput noemt. Het water is altijd zwart, ook als de zon schijnt, en de bomen eromheen groeien krom, alsof ze van de poel weg buigen. Over deze plek vertelt men in Aarsele al eeuwen hetzelfde verhaal.

HW HW

1 De molenaar

Lange tijd geleden, toen Aarsele nog nauwelijks meer was dan een kerk, een herberg en een handvol boerderijen, woonde er aan de rand van het bos een molenaar genaamd Firmin. Zijn molen stond aan de Poekebeek, een traag stroompje dat goed genoeg was voor een watermolen, en Firmin maalde het graan van alle boeren in de omtrek.

Maar Firmin was nooit tevreden. De beek stond te laag in de zomer, te hoog in de winter, en de boeren betaalden altijd te laat en te weinig. Hij droomde van een grote stenen molen, met twee wielen en een eigen pakhuis, maar het geld daarvoor had hij niet en zou hij ook nooit bij elkaar sparen.

Op een avond in oktober, toen de mist over het bos hing en de beek nauwelijks stroomde, zat Firmin op de oever en vloekte op zijn lot. En uit het water klonk een stem.

2 Het pact

“Molenaar,” zei de stem, en het klonk als stromend water over stenen. “Ik kan je geven wat je wilt. Een molen van steen, twee wielen, een pakhuis vol graan. Alles wat je droomt.”

Firmin keek in het water en zag geen gezicht maar twee ogen, rood als gloeiend ijzer, diep onder het oppervlak. “Wat wil je ervoor?” vroeg hij, want zelfs een domme molenaar weet dat niemand iets voor niets geeft.

“Niets bijzonders,” zei de stem. “Alleen dat je elke volle maan een zak meel in de poel gooit. Goed meel, het beste dat je maalt. Doe dat zeven jaar lang, en de molen is van jou. Stop één keer, en ik haal wat me toekomt.”

Firmin dacht na. Een zak meel per maand — dat was minder dan wat hij aan de pastoor moest afstaan. Hij knikte, en het water borrelde, en de volgende ochtend stond er een nieuwe molen waar de oude had gestaan, van grijze steen met twee wielen en een pakhuis dat naar vers eikenhout rook.

3 De zeven jaar

Zes jaar en elf maanden lang gooide Firmin elke volle maan een zak van zijn beste meel in de poel aan de rand van het bos. Het water borrelde en het meel verdween, en Firmin liep terug naar zijn molen die draaide en draaide en hem rijker maakte dan welke molenaar ook in de wijde omtrek.

Maar in de laatste maand, de twaalfde maand van het zevende jaar, was er een probleem. De oogst was slecht geweest, de ergste in mensenheugenis, en Firmin had nauwelijks genoeg graan om het meel voor zijn klanten te malen. Een zak weggooien in een poel — dat kon hij zich niet veroorloven.

“Het is de laatste keer,” zei zijn vrouw, die van het pact wist en er slapeloze nachten van had. “Eén zak nog maar.”

“Eén zak te veel,” zei Firmin. “En trouwens, wat kan die stem me maken? Ik heb een molen van steen. Die haalt niemand weg.”

De volle maan kwam en ging, en Firmin gooide niets in de poel.

4 De put

De ochtend na de gemiste volle maan stond Firmin vroeg op om de molen te openen. Maar het grote wiel draaide niet. Het water in de beek stond stil, alsof iemand het had afgesloten. Firmin liep naar buiten en zag dat de Poekebeek was opgedroogd — niet langzaam, zoals in de zomer, maar in één nacht, alsof het water in de grond was gezakt.

Hij liep naar de poel in het bos. Die was er nog, maar groter dan voorheen, en het water was pikzwart en rook naar iets dat niet van deze wereld was. Aan de rand stond zijn vrouw, haar ogen wijd open, starend naar het water. “Ik hoorde een stem,” fluisterde ze. “Het riep mijn naam.”

Firmin pakte haar bij de arm en trok haar weg. Maar de grond onder hun voeten was drassig geworden, en met elke stap zakten ze dieper weg. Het water in de poel begon te stijgen, langzaam, alsof het ademde.

Ze kwamen los en renden. Achter hen zakte de grond in waar de molen had gestaan, en het water vulde het gat tot er niets meer over was dan een donkere poel, groter en dieper dan ervoor.

Firmin en zijn vrouw verlieten Aarsele die dag nog en keerden nooit terug. De poel is er nog steeds. Geen vogel zingt er, geen riet groeit aan de rand, en als je er te lang naar kijkt, zeggen de oude mensen, hoor je een stem die je naam roept. Maar je moet nooit antwoorden.

Bron: Overlevering uit Aarsele (Tielt), geïntegreerd met Ippa-inhoud
Wist je dat? Aarsele is een deelgemeente van Tielt in West-Vlaanderen. De naam verschijnt al in twaalfde-eeuwse documenten als “Arnessela”. Het dorp ligt op de rand van het Tieltse plateau en kende in de Middeleeuwen een bloeiende vlasnijverheid. De streek tussen Aarsele en Kanegem is nog altijd bosrijk.
Heimweer Heimweer

Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard