De Duivelstoren
Aan de oever van de Schelde in Gent staat een sombere stenen burcht die de Duivelstoren wordt genoemd. De naam alleen al jaagt kinderen schrik aan — maar het verhaal erachter is duisterder dan de waarheid.
1 De ridder
In de dertiende eeuw leefde in Gent een ridder genaamd Geeraard Vilain, tweede zoon van Zeger III, de vijftiende burggraaf van de stad. Geeraard was een man van aanzien — hij bezat landerijen, schonk geld aan kerken en werd na zijn dood in 1270 begraven in de crypte van de Sint-Baafsabdij, een eer die alleen de vroomsten ten deel viel.
Maar Geeraard had één eigenschap die in de middeleeuwen niet in zijn voordeel werkte: hij had een donkere huidskleur en zwart haar. In een tijd waarin bleekheid gold als teken van edele afkomst en duisternis als teken van het kwaad, was dat genoeg om gefluister te veroorzaken. Men noemde hem Geeraard de Duivel — eerst achter zijn rug, daarna openlijk, en uiteindelijk werd de bijnaam onlosmakelijk verbonden met de man en met zijn huis.
2 De verhalen
Na Geeraards dood — kinderloos, waardoor de burcht aan de stad verviel — begonnen de verhalen. Eerst waren het fluisteringen bij het haardvuur, maar al snel groeiden ze uit tot volwaardige legenden. Men beweerde dat Geeraard zijn vrouw had doodgetrapt tijdens een dronken razernij. Dat hij vijf keer was getrouwd en elke vrouw op mysterieuze wijze was gestorven. Dat hij een pact met de duivel had gesloten in de kelders van zijn burcht.
De burcht zelf leende zich uitstekend voor zulke verhalen. Het was een somber, massief gebouw van donkere Doornikse steen, met dikke muren en smalle ramen die leken te fronsen als ogen van een slapend monster. In de kelders, zeiden de mensen, bevond zich een duivelspoort — een doorgang naar de hel waar Geeraard ’s nachts zijn meester ontmoette.
Niets van dit alles was waar. De archieven tonen een vrome weldoener, geen moordenaar. Een man die kerken steunde, geen man die vrouwen vermoordde. Maar de waarheid was te saai voor Gent, en het verhaal te goed om op te geven.
3 De steen
De eeuwen gingen voorbij en de Duivelstoren veranderde vaker van bestemming dan welk gebouw in Gent ook. Hij was ridderzaal en arsenaal, klooster en school, seminarie en krankzinnigengesticht, en ten slotte gevangenis. Bij elke nieuwe functie leek het gebouw somberder te worden, alsof het de duisternis van zijn legende in zijn muren opzoog.
Vandaag is de Duivelstoren gerestaureerd en staat hij er stil en waardig bij, aan de rand van het water, met zijn trapgevels en zijn stenen gezicht dat over de stad uitkijkt. Toeristen fotograferen hem zonder te weten waarom hij zo heet. Gentenaars lopen erlangs zonder op te kijken.
Maar de naam blijft. Geeraard de Duivelsteen — het huis van de man die de duivel werd genoemd omdat hij er donker uitzag. Zeven eeuwen van roddel, verzonken in steen. En ergens in de crypte van Sint-Baafs ligt de echte Geeraard — niet de duivel uit de verhalen, maar een gewone man met een ongewone bijnaam, die al zeven eeuwen betaalt voor een zonde die hij nooit heeft begaan.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


