De Heks van Poperinge
In Poperinge, de hopstad aan de rand van de Westhoek, wist elke grootmoeder haar kleinkinderen te vertellen over de vrouwen die aan de deur kwamen met geschenken die je beter niet kon aannemen. Want wat gratis leek, had altijd een prijs — en die prijs betaalde je met je kinderen.
1 De vrouw aan de deur
Het was op een doordeweekse middag dat de vrouw voor het eerst aan de deur stond. De moeder was aan het werk, de vader ook, en de grootmoeder paste op de kinderen — kleine Lora van vijf en haar broertje van drie. De vrouw was netjes gekleed, glimlachte vriendelijk, en had een mandje bij zich met koekjes en snoepgoed.
“Wat een prachtige kinderen,” zei ze. “Mag ik ze iets geven?”
De grootmoeder herkende het type meteen. In Poperinge noemden ze zulke vrouwen “kiekens” — kippen die rondscharrelden bij andere nesten om er hun ei in te leggen. Ze kwamen met glimlachen en geschenken, ze bewonderden je kinderen, ze boden aan om op te passen, en voor je het wist hadden ze een greep op je huishouden die je niet meer kon verbreken.
“Nee, dank u,” zei de grootmoeder, en ze deed de deur dicht. Maar de vrouw kwam terug. De volgende dag, en de dag erna. Altijd met koekjes, altijd met die glimlach.
2 Het koekje
Op de derde dag was de grootmoeder even naar de buren en kleine Lora deed open. De vrouw gaf haar een koekje — een klein, rond koekje met suiker erop — en Lora at het op. Toen de grootmoeder terugkwam en het hoorde, werd ze bleek.
“Wat voor koekje? Hoe zag het eruit? Heb je alles opgegeten?”
Lora begreep niet waarom haar grootmoeder zo boos was. Het was maar een koekje. Maar die nacht werd Lora ziek. Niet gewoon ziek — ze gloeide van de koorts, ze praatte in haar slaap in woorden die niemand begreep, en haar ogen draaiden weg alsof ze iets zag wat de anderen niet konden zien. De grootmoeder zat de hele nacht aan haar bed met een rozenkrans in haar handen.
Bij het ochtendgloren zakte de koorts. Lora sliep rustig. En de grootmoeder, die de hele nacht had gebeden, haalde een handvol zout uit de keuken en strooide het voor de drempel — een oud middel, zei ze, tegen vrouwen met slechte bedoelingen.
3 Het zout en het kruis
De vrouw kwam nog één keer terug, twee dagen later. Ze stapte over de drempel, maar bij de tweede stap bleef ze staan — precies op de plek waar het zout lag. Haar glimlach verdween. Ze keek naar de grond, keek naar de grootmoeder, en haar gezicht veranderde. Het was dezelfde vrouw, maar de vriendelijkheid was weg. Wat eronder zat was koud, berekenend, en oud — veel ouder dan het gezicht dat het droeg.
“U kunt niet eeuwig op die kinderen passen,” zei de vrouw.
“Lang genoeg,” zei de grootmoeder.
De vrouw draaide zich om en vertrok. Ze is nooit meer teruggekomen. Maar de grootmoeder heeft tot aan haar dood — en ze werd tweeënnegentig — elke week vers zout voor de drempel gestrooid en een kruisje van palmtakken boven de deur gehangen. En ze heeft haar kleinkinderen geleerd om nooit, maar dan ook nooit, iets aan te nemen van een vreemde vrouw die aan de deur komt met snoepgoed en een glimlach.
“Het zijn geen slechte vrouwen,” zei ze altijd. “Het zijn vrouwen die iets willen wat van jou is. En als je het eenmaal hebt gegeven, krijg je het nooit meer terug.”
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


