De Meerman
Gent is gebouwd op water. De Leie en de Schelde vloeien er samen, en in de donkere diepten van de Nederschelde vertelden de vissers al generaties lang over een wezen dat loerde tussen het riet — een groene gedaante die zij de Meerman noemden.
1 Het wezen in de Schelde
De Nederschelde was geen rivier om mee te spotten. Waar het water donker en traag werd voorbij de Muinkkaai, waar het riet hoog stond en de oever glibberig was van het slib, daar leefde iets. De vissers kenden het al langer dan zij zich konden herinneren. Zij noemden het de Meerman — een wezen dat eruitzag als een reusachtige groene kikker, met ogen die gloeiden als smeulend veen en handen die eindigden in lange, gekromde klauwen.
Overdag was hij onzichtbaar. Hij lag op de bodem van de rivier, tussen de modder en de verzonken boomstammen, en wachtte. Maar wanneer de schemering viel en het water zwart kleurde, kwam hij omhoog. Dan hoorde je hem — een laag, jammerend geluid dat over het water dreef, als het gekreun van iemand die al eeuwen leed. De vissers trokken hun netten binnen en gingen naar huis. Zij wisten beter.
2 Het kind aan de oever
Maar kinderen wisten niet beter. Op warme avonden speelden zij langs de kade, gooiden steentjes in het water en daagden elkaar uit om zo dicht mogelijk bij de rand te komen. Hun moeders riepen hen terug met een angst in hun stem die de kinderen niet begrepen. Kom weg van het water. De Meerman haalt je.
Op een avond in de late zomer luisterde een jongen niet. Hij was de oudste van zijn groepje, de dapperste, degene die beweerde dat de Meerman niet bestond. Hij ging op de rand van de kade zitten, zijn blote voeten bungelend boven het zwarte water, en riep uitdagend over de rivier. Er gebeurde niets. Hij lachte en boog zich voorover om zijn spiegelbeeld te bekijken.
Toen schoot er een hand uit het water — groen, koud en sterk als een bankschroef. De vingers sloten zich om de enkel van de jongen en trokken. Hij gilde, greep naar de stenen van de kade, maar de kracht van het wezen was onmenselijk. Zijn vrienden grepen zijn armen, schreeuwden om hulp, en trokken met alles wat ze hadden. Even leek de Meerman los te laten. Toen, met een laatste ruk die de jongen tot aan zijn middel het water in sleurde, verdween de kracht zo plotseling als ze gekomen was.
3 De les van het water
De jongen werd op de kade getrokken, doorweekt en trillend. Op zijn enkel stonden vier diepe krassen, alsof een dier hem had gegrepen. Hij sprak dagenlang niet. Toen hij eindelijk zijn mond opende, zei hij alleen: het keek me aan. Het had ogen.
De vissers knikten toen zij het hoorden. Zij kenden die ogen. Zij hadden ze zelf gezien, jaren geleden, als jonge knapen die te dicht bij het water waren gekomen. Niemand sprak de Meerman tegen. Niemand zei dat hij niet bestond. Want het water van de Nederschelde was diep en donker, en wie er niet vandaan bleef, had alleen zichzelf de schuld te geven.
De moeders bleven hun kinderen waarschuwen. Op stille avonden, als de wind over het water streek en het riet ruiste, hoorde je hem nog altijd — dat lage, jammerende geluid dat over de rivier dreef. De Meerman was er nog. Hij wachtte. En het water van de Nederschelde bleef donker en diep, en hield zijn geheimen voor zich.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


