De spirit van Luik
In Sint-Walburg, dicht bij Luik, woonde een vrouw wier reputatie bekend was door heel de streek. Zij was geen dokter, maar een “spirit”—een genezeres die het geestrijk konijnde zien en ervan af te wenden. Moeders die radeloos waren over hun stervende kinderen, stelden hun hoop in haar krachten.
1 Het schreeuwende kind
In het jaar 1887, volgens de overlevering, kwam een wanhopige moeder naar Sint-Walburg, dicht bij Luik. Haar kind was ziek—erger dan ziek. Het kind schreeuwde dag en nacht zonder ophouden, zijn kleine lichaam kronkelend van pijn, zijn stem schor van smart en uitputting. Geen kruid uit de apotheker kon helpen. Geen dokter kon een diagnose stellen. Geen priester kon het lijden stillen met gebeden en heilige wijwater. De vader was versuft van wanhoop en sloeg zijn hoofd tegen de muren. De moeder was op het randje van krankzinnigheid, haar ogen hol van slapeloosheid.
Drie maanden had dit al geduurd. Drie maanden van oneindig geschreeuw. De buren meden hun huis.
“Gij moet naar de spirit gaan,” zeiden de buren ten slotte, fluisterend. “Alleen zij kan zien wat de dokters niet kunnen zien, wat zelfs de priesters ontgaat. Zij sprekt met het geestrijk.” En dus droeg de moeder haar schreeuwende, kronkelende kind naar de donkere kamer van de genezeres, ergens in de buurt van Sint-Walburg.
De spirit ontving hen zonder woorden of glimlach. Met donkere ogen die alles leken te zien en een gezicht als oud perkament, onderzocht zij het kind met handen die warm waren maar toch ijs voelden. Zij wendde de ogen van het kind omhoog en keek in het licht. “Dit is geen gewone ziekte,” zei zij ten slotte met een stem als grind. “Dit kind is behekst. Dit kind draagt de mark van een heks.”
2 De wasspiegel der waarheid
De spirit zette een kaars op een stuk glas—geen gewoon glas, maar glas dat leek te schitteren van binnenuit, alsof het al eeuwenoud licht bewaarde. Met stille gebeden brandde zij het licht, terwijl zij woorden murmelde in een taal die niemand begreep, woorden die als water klonken, als wind in graven. Langzaam, terwijl het kaarsvet smolt en droop, verscheen er iets in het gesmolten was—een afbeelding zo scherp dat het hart van de moeder stokte, dat haar adem stokte.
Het was een hand. Een oude vrouws hand, uitgeknokt en krom van jaren, grijsbruin alsof ze net uit een graf was getrokken. En die hand greep, met voelbare wreedheid, aan de oren van een klein kind—het kind van de moeder zelf, haar eigen zoon. De heks knepen en trokken, wreedheid in elke vingerbeweging, haat in elke knokkel. De moeder zag bloed druppelen van de oren.
“Dit is uw vijand,” zei de spirit met koele stem, een stem zonder enige medelijden. “Deze vrouw—deze begaafde, deze vervloekte—heeft uw kind bespoten met haar eigen kwade kracht. Zij heeft een vloek over hem uitgesproken, een vloek die dieper gaat dan welke ziekte ook. Zij zal vanmiddag hier komen, onder het voorgeven van vriendschap en hulp. Zij zal om gebruik van uw oven vragen, onder enig voorwendsel.”
3 De bezoekende heks
En inderdaad, nog diezelfde middag, klopte de duistere vrouw op de deur. Het was de oude buurvrouw, dezelfde die jaren geleden begonnen was met boze blikken naar het kind te werpen, dezelfde die altijd in de buurt scheen te zijn wanneer het kind erger werd. Haar naam was “Moeder Gravin” hoewel zij niet vorstelijk was, en haar gezicht was zo gerimpeld als een dode appel.
“Mag ik uw oven gebruiken?” vroeg zij, met een glimlach als de gapende mond van een grafkuil, een glimlach zonder warmte. “Ik moet wat brood bakken.”
De moeder herinnerde zich elk woord van de spirit. Zij gaf toestemming, maar hield het kind ver weg van de oude vrouw, in de andere kamer waar zij het kon zien. Zij durfde het kind niet alleen te laten met deze vrouw. En inderdaad, toen de heks weg was—met veel mysterieus gedoe om haar mand—voelde het kind reeds wat beter. Het schreeuwen werd minder heftig.
Maar de geest van de heks was vastberaden, ondersteund door duistere krachten. Zij keerde terug in de nacht, zomaar, zonder kloppen. En deze keer bracht zij dingen mee—heilige beeldenissen, kleine madonnaatjes van porselein, krucifixen van zachtgeel ivoor. “Dit zal het kind genezen,” zei zij met vals medelijden, en zij plaatste de figurines voorzichtig naast het kind op het bed, rond zijn hoofd.
4 De bevrijding en de dood
In de nacht werden zij beiden wakker—beiden tegelijk, alsof ze door dezelfde nachtmerrie waren geschud. Het kind was veranderd op een manier die geen ziekteziekte kon verklaren—niet beter, maar woester, wilder, bezeten. Het sloeg naar lucht, het schreeuwde niet meer van pijn maar van haat, het trok aan zijn eigen kleren met nagels als klauwen. Zijn ogen waren wild en onherkenbaar, niet meer de ogen van een kind maar iets ouds, iets kwaads. De moeder riep de vader met alle macht in haar longen.
“Dit zijn de beeldenissen! De heilige beelden!” schreeuwde de vader, die nu eindelijk begreep wat de spirit had bedoeld. Met kracht—vader-kracht, man-kracht—reikte hij naar de heilige figurines die rond het hoofd van het kind lagen en wierp ze uit het raam, ver weg van het kind, ze braken kapot op de steenslag.
In datzelfde moment—in datzelfde hartslagmoment, in dezelfde seconde—hoorden zij een kreet in de nacht. Een lange, akelige kreet, als een dier dat stervende was, als een vrouw wier ziel werd uitgescheurd. Het was de heks zelf, die in het donker was gestorven, op dezelfde plek waar zij de beeldenissen had willen plaatsen, haar lichaam zwart geworden van binnen.
“Gelukkig dat gij ze hebt verwijderd,” zei de spirit toen zij werd geroepen om het sterfteval vast te stellen. “Anders zou het kind met de heks zijn gestorven. De figurines waren voorgespoten met de ziel van de heks zelf, haar heel wezen erin gevangen. Zo zou zij het kind hebben meegenomen naar de duisternis, en beiden zouden verloren zijn gegaan.” Het kind groeide op, gezond en sterk, en herinnerde zich niets van het lijden dat voorbij was. Slechts een vage angst voor porselein en heilige beelden bleef.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


