De verplaatste kerk
In de dorpen van de Kempen was niets zo belangrijk als de kerk. Wie een kerk had die scheef stond of aan de rand lag, had reden tot schaamte. En de Olenaren hadden reden genoeg.
1 De schande van de scheefstaande kerk
De boeren van Sint-Jozef-Olen hadden een probleem. Hun kerk stond niet in het midden van de parochie, maar aan de rand, als een scheve tand in een verder keurige mond. De omliggende dorpen — Herentals, Geel, Westerlo — lachten hen ermee uit. ’De Olenaars,’ zeiden ze, ’die kunnen niet eens hun eigen kerk recht zetten.’
Het stak de boeren als een doorn in het vlees. Na vele avonden overleg in de herberg, waar de meningen heen en weer vlogen als muggen boven een sloot, nam onderpastoor Dirckx het woord. ’Mannen,’ zei hij, ’als de kerk niet in het midden staat, dan brengen wij de kerk naar het midden.’ De boeren keken elkaar aan. Verplaatsen? Een hele kerk? Maar Dirckx had gesproken, en een onderpastoor spreekt niet voor niets.
En zo werd het plan geboren: zij zouden de kerk gewoonweg opduwen, met mannenkracht, tot zij op de juiste plek stond.
2 Het grote duwen
Op een warme zomeravond verzamelden alle mannen van het dorp zich rond de kerk. Zij spuwden in hun handen, zetten hun schouders tegen de stenen muren en begonnen te duwen. De aders zwollen in hun nekken. Het zweet druppelde van hun voorhoofden. Onderpastoor Dirckx liep heen en weer en riep aanmoedigingen: ’Doorduwen, mannen! Zij beweegt!’
Niemand durfde te zeggen dat de kerk geen millimeter verschoof. Want als de onderpastoor zei dat zij bewoog, dan bewoog zij.
Boer Baart werkte het hardst van allemaal. Hij duwde en stampte tot het zweet hem langs de rug gutste. Uiteindelijk werd het hem te warm. Hij trok zijn jas uit en legde die achter zich op de grond, vlak naast de kerkmuur. Toen zette hij zijn schouders er weer tegenaan en duwde verder, in zijn hemdsmouwen, met een gezicht rood als een biet.
De avond viel. De schaduwen werden langer. En de boeren duwden voort.
3 De jas onder de kerk
Terwijl de boeren zwoegden in het donker, kwam een bedelaar voorbij die de verlaten jas van Baart op de grond zag liggen. De man keek om zich heen, zag dat niemand oplette, en nam het kledingstuk stilletjes mee. Een geschenk van de Heer, dacht hij bij zichzelf, en verdween in de schemering.
Toen de nacht volledig was gevallen en de kou door de hemden begon te bijten, wilde Baart zijn jas weer aantrekken. Hij tastte in het donker achter zich. Niets. Hij kroop op zijn knieën. Niets. Zijn jas was verdwenen.
’Mannen!’ riep Baart verschrikt. ’Stop met duwen! Wij moeten de kerk een stuk terugduwen — mijn jas ligt eronder!’
Even was het stil. Toen klonk het gelach — eerst aarzelend, daarna bulderend, tot het over de velden rolde en de sterren ervan trilden. De kerk stond nog precies waar zij altijd had gestaan. Maar het verhaal van Baart en zijn jas zou nooit meer verdwijnen.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


