De Vliegende Schaper van Izegem
Izegem, de schoekenstad van Vlaanderen, had meer dan alleen bekende laarzen en schoenen. In de donkere nachten van vorig seizoen spookte een onheilspellende figuur rond de buiten: de Duitse Schaper, een vliegende tovenaar wiens verschijning ongeluk en angst zaaide. Een boerenjong kon de poort niet openen, een dienstmeid werd uit bed getrokken, en de kelders wemelden van vreemde wezens — totdat een groep priesterbroers uit Tielt kwam helpen.
1 De Poort die niet opende
Het was een gewone avond in het najaar toen Pieter, een jonge knecht op de hoeve Ter Elst buiten Izegem, zijn dagwerk beeindigde en naar de schuur liep om de dieren voer te geven. De zon verdween achter de verre heuvels, de lucht werd donkerrood, en toen indigoblauw. Pieter had alles zien aankomen: een nacht vol sterren, een volle maan — een nacht waarop niets bijzonders had hoeven gebeuren.
Maar toen hij de poort van het erf probeerde dicht te doen, gebeurde iets eigenaardigs. De poort, die altijd soepel opende en sloot, zat nu vast. Pieter trok eraan, eerst voorzichtig, toen harder. De hengsels kraken niet eens. Het hout leek verstijfd, alsof het honderd jaar lang niet was gebruikt. Zweet brak Pieter uit. Hij keek naar de hemel, waar sterren fel flonkerden, en hij hoorde het geluid — een ritselend geluid, als van zijde die door lucht wordt getrokken.
Boven de akkers zag hij iets donkers voorbijglippen. Een silhouet tegen de nachtelijke hemel, maar niet van een vogel of vleermuizen. Het bewoog met doelgerichte, angstaanjagende precisie. Een man, dacht Pieter met bevend hart. Een man die vloog.
2 De Meid uit Bed
In dezelfde nacht schreeuwde Katrien, het dienstmeisje van de hoeve, het uit in haar zolderkamer. De baas en zijn vrouw hoorden de kreten en stormden naar boven. Ze vonden Katrien overeind in bed, wild met haar armen om zich heen slaan, alsof ze met onzichtbare tegenstanders vecht. Haar ogen waren halfopen maar zagen niets. Ze trok aan haar nachtkleed, dat aan flarden was gescheurd.
"Er was iets — iets zonder gezicht!" stamelde Katrien toen ze eindelijk bijkwam. "Het trok me bij mijn armen, het wilde me meenemen door het raam!"
De volgende nacht gebeurde hetzelfde. En de nacht daarna. Iedere avond om dezelfde tijd — toen de klok van de Sint-Martinus half elf sloeg — werd Katrien uit haar slaap gewekt en uit bed getrokken. Soms zagen de ouders van het huis donkere schaduwen over het dak glijden. Altijd hoorden ze dat vreemde geluid, dat ritselende geluid als van zijde.
De baas probeerde van alles. Hij spreidde zout rond het bed. Hij hing kruisen aan de muren. Niets hielp. Katrien werd iedere nacht gekweld. Ze werd bleek, dun, en haar ogen stonden doods van angst. Het was alsof iets uit de hemel haar had gekozen.
3 Het Ongedierte in de Kelder
Maar de ellende van de hoeve Ter Elst stopte niet bij de nachtelijke vervolgingen. Pieter, die zijn werk in de schuren en stallen deed, begon vreemd gedrag van de dieren op te merken. Koeien weigerde hun voer. Paarden hinnikten wild en sloegen met hun hoeven tegen de boxen. En de kippen — alle kippen waren weg. Dood, verspreid over het erf, hun veren uitgerukt.
Op een ochtend durfde Pieter in de kelder af te dalen. Het was er koud, kouder dan koud hoorde te zijn, ook in de herfst. Zijn adem kwam als witte wolkjes uit zijn mond. En toen zag hij het: de kelder wemelde van kikkers. Honderden kikkers, misschien duizenden, zaten op elkaar gestapeld, hun gorgelende geluiden vulden de ruimte. Wat een schouwspel van verderf!
"Dit is werk van een tovenaar," fluisterde de baas toen Pieter het hem vertelde. "Dit is geen natuurlijk ongedierte. Dit is boosaardigheid uit een ander rijk."
De priester van het dorp werd geroepen, maar die kon slechts zijn hoofd schudden. "Dit gaat boven mijn vermogen," zei hij. "Dit vereist meer spirituele kracht dan ik alleen kan opbrengen. Er moet iemand komen van buiten. Iemand die de duistere kunsten kent."
4 De Priesterbroers uit Tielt
De geruchten verspreidden zich snel door Izegem. Iedereen wist nu wat er aan de hoeve Ter Elst gebeurde — de vliegende man, het geteisterde meisje, de kikkers in de kelder. En iedereen kende ook het antwoord: men moest de priesterbroers uit het nabijgelegen Tielt roepen. Daar was een klooster waar monniken woonden die bekendstonden om hun vermogen om boze geesten te verdrijven.
De broers kwamen op een koude oktobermiddag. Ze waren vier: grote mannen met ernstige gezichten en biddend een rozenkrans tussen hun vingers. De oudste broer, Frater Alojsius, keek naar het huis en zei slechts: "Hier hangt een wolk van verderf. Wij zullen zeven nachten bidden."
De zeven nachten waren een beproeving. De broers verspreidden wijwater over het erf, zegenden elk raam en elke deur, en reciteerden gebeden in het Latijn die door de nacht heen galmen. In de kelder steeg de geur van wijwater op, en de kikkers werden stil. Pieter hoorde ze niet meer gorgelend om elkaar vechten.
In de zevende nacht, toen Frater Alojsius het kruis tegen het huis hief en luid gebeden uitsprak, zag heel het huishouden het gebeuren: boven het dak verscheen een donkere figuur, wijd, rondvliegend, steeds wanhopiger wordend. En toen — plotseling — was hij verdwenen, in rook opgelost, alsof hij nooit had bestaan.
Katrien sliep die nacht door. Pieter kon de poort de volgende ochtend zonder moeite openen. En in de kelder — niets dan koele, normale duisternis. De kikkers waren weg. De Duitse Schaper had zich teruggetrokken naar de landen waaruit hij gekomen was.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


