De voorspellingen van Hasselt
Soms lijkt het lot zich te herhalen. In de jaren ’30, toen in Hasselt de kanaalbruggen werden aangelegd, vertelde een oude molenaar twee verhalen die de hele stad zou blijven spoken — verhalen over twee mannen die hun eigen dood zagen komen.
1 Lewie en de brug
In de jaren ’30 werkten duizenden mannen aan de aanleg van het kanaal Kanne-Boom. De kanaalbruggen waren een wonder van staal en cement, veel groter dan alles wat Hasselt tot dan toe had gekend. Elke dag groeiden ze verder de lucht in, als reuzen die zich langzaam uit de aarde tilden.
Lewie was een man uit Hasselt die niet van voorbijgaan kon. Dag na dag stond hij langs de bouwplaats, starend naar de werklui, naar de stenen die werden gelegd, naar de ijzeren balken die werden gelast. En dag na dag vroeg hij datzelfde, eindeloze vraag aan iedereen die voorbij liep: ’Wie zal de eerste zijn die ze over dragen?’
’Wie zal de eerste zijn die ze over dragen?’ — de vraag bleef hangen als een vloek. Een oude molenaar uit Hasselt, die Lewie vaak zag, waarschuwde hem. ’Stop met denken aan de dood, Lewie,’ zei hij. ’Daar moet je niet naar vragen. Daar mag je niet naar vragen. Denken aan wie er dood gaat — dat trekt de dood aan.’
Maar Lewie kon niet stoppen. De vraag ving aan zijn gedachten als roest aan ijzer. ’Wie zal de eerste zijn?’ fluisterde hij ’s nachts in zijn slaap. ’Wie zal de eerste zijn?’ vroeg hij aan iedereen op het marktplein. Hij kon niet stoppen, niet wilde niet stoppen — het was als een obsessie, een hongering naar het antwoord.
Jaren gingen voorbij. De brug werd voltooid. En op de dag dat de brug geopend werd, gebeurde het waar de molenaar voor had gewaarschuwd. Lewie — Lewie die iedere dag op de bouwplaats had gestaan, die de brug had zien groeien, die al duizend keer had gevraagd wie de eerste zou zijn die eroverheen zou worden gedragen — Lewie stierf. En op de dag van de opening van de kanalbrug werd hij de eerste die erover werd gedragen. Ze droegen hem in een lijkkist.
2 Sooi Bottin en zijn lot
Sooi Bottin was een voerman uit Hasselt, een sterke man met handen als schepen en een lach die geen enkel kind bang maakte. Hij vervoerde stenen en baksteen voor de halve streek — voor huizen, voor kerken, voor alles wat gebouwd moest worden. Sooi was niet bang voor werk, niet bang voor niets.
In dezelfde jaren dat het kanaal werd aangelegd, begon Hasselt ook aan iets anders: een nieuwe begraafplaats. En wie zou de stenen en bakstenen gaan vervoeren? Sooi Bottin, natuurlijk. Voor maanden reed hij heen en weer, zijn wagen volgeladen met bakstenen, met kalkmortel, met al het materiaal dat nodig was voor het bouwen van — van grafmuren, van kapellen, van alles wat hoort bij een kerkhof.
Sooi was een man met een flauwe humor, en hij maakte graag grappen over zijn lot. Elke keer als hij zijn wagen losmaakte op de begraafplaats, riep hij lachend naar zijn medewerkersof naar wie hem maar hoorde: ’Ik ben aan het bouwen van mijn eigen begraafplaats! Ik ben mijn eigen grafdelver aan het huren!’
Iedereen lachte. Het was een grappig idee — Sooi, sterk en gezond, werkte aan de plek waar hij ooit zou rusten. ’Je maakt je eigen graf, Sooi!’ riepen zijn vrienden hem na.
Maar de goden, of het noodlot, lachen soms het hardst. Toen de begraafplaats afgebouwd was, toen de laatste steen was gelegd, toen alles gereed was voor zijn eerste grafdelver — stierf Sooi Bottin. En de eerste persoon die op de nieuwe begraafplaats van Hasselt werd begraven, was Sooi zelf. Zijn grafsteen staat daar nog steeds, aan de linkerkant van de ingang. François Bottin, staat erop geschreven. Sooi is voorbijgereden aan zijn noodlot — en precies op het moment dat hij hem hoorde aankomen, werd hij ingehaald.
3 De waarschuwing van de molenaar
De molenaar die deze verhalen vertelde, zei altijd hetzelfde: het waren geen vloeken, geen magie, geen spoken. Het waren waarschuwingen, gegeven door het noodlot zelf. Mensen die teveel nadenken over hun dood — mensen die ernaar vragen, die ernaar zoeken, die zich eraan vastbijten — die trekken hun eigen dood aan. Het is als een spoor dat je legt, en jouw dood volgt je eenvoudig.
’Lewie vroeg en vroeg en vroeg,’ zei de molenaar. ’En toen de brug klaar was, had zijn vraag eindelijk een antwoord. De dood had geluisterd.’
’Sooi maakte grapjes over zijn eigen graf,’ zei de molenaar. ’En het noodlot lachte mee — maar wie het laatst lacht, lacht het best. Sooi bouwde zijn eigen graf, en het was niet als grap bedoeld. Het was de waarheid.’
In Hasselt geloven veel mensen nog steeds dat je niet mag spreken over je eigen dood. Je mag niet vragen wie het eerst zal gaan. Je mag niet grapjes maken over je graf. Want in deze stad weten ze: soms luistert het noodlot naar wat je zegt, en zorgvuldiger nog — soms geeft het je precies wat je vraagt. De kanaalbruggen van Hasselt staan nog steeds overeind, en de begraafplaats ontvangt nog steeds haar doden. Maar niemand vraagt meer wie de eerste zal zijn. Sommige vragen, zei de molenaar, hoort je niet te stellen.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


