De Heks en de Molenaar
In het gebergte van Maasmechelen stond eens een grote molen, eigendom van een rijke en gierige molenaar. Het water van de Maas dreef zijn wieken aan, en zijn zaak floreeerde. Maar wie arm en verzwakt bij zijn deur kwam, vond geen medelijden.
1 De Bedelvrouw
Op een donkere herfstmorgen klopt een oude vrouw aan de deur van de molen. Haar kleren zijn gescheurd, haar gezicht gerimpeld en vol verdriet. Ze vraagt de molernaar of zij wat graan mag malen voor brood. Zij heeft honger, zegt ze, en geen huis. De molenaar kijkt haar van top tot teen en snuift verachting.
“Weg jij!” roept hij ruw. “Ik ben geen weldoener. Mijn molen is voor rijke klanten, niet voor zwervers. Heb je munten, dan kan je graan malen. Heb je niks, dan ben je hier niet welkom.” De vrouw blijft nog een moment staan, stil en bewegingloos. Haar ogen worden donker als de nacht.
“Gij zult dit berouwen,” zegt zij zacht. “Uw hart is hard als steen, en daarom zal de steen uw hart verteren.” Voordat de molenaar kan antwoorden, is de vrouw verdwenen—als mist die door de wind wordt weggeblazen.
2 De Vloek Uitgesproken
Vanaf die dag begint iets vreemds in de molen. De molenaar voelt een koude in zijn borst, een pijn die groeit met elke dag die voorbijgaat. Hij probeert te werken, maar zijn handen trillen. ’s Nachts wordt hij wakker van nachtmerries waarin hij alleen in de molen staat en de stenen tegen hem fluisteren.
De dorpelingen merken dat de molenaar ziek wordt. Hij wordt mager en bleek, hoewel hij nog steeds alles eet wat op tafel staat. Zijn ogen verliezen hun glans. Artsen uit de stad kunnen hem niet helpen—zij zeggen dat hij aan geen bekend lijden lijdt, maar toch voelt de dood hem al aan. De molen draait nog, maar de molenaar kan nauwe lijks de trap op klimmen.
Sterker nog: iedereen die hem helpt wordt ook ziek. Zijn bedienden verlaten hem uit angst. Zijn familie weigert nog naar hem toe te gaan. Hij ligt alleen in het groot huis, verzwakt en bibberend, en roept om water dat hij niet slikt.
3 De Waarheid Geopenbaard
Na drie maanden sterft de molenaar, zijn lichaam verschroeid van binnen, zijn gezicht vertrokken van pijn. In zijn laatste uren vraagt de priester hem naar zijn zonden. De molenaar vertelt—met moeilijke woorden—over de bedelvrouw. “Ik heb haar afgewezen,” fluistert hij. “Zij was hongerig en ik gaf haar niks.”
De priester beseft dat geen genezing meer mogelijk is. De hele parochie verzamelt zich rond het sterbed en hoort de waarheid. Velen herkennen de beschrijving van de vrouw: het was geen sterke, maar een geest—een heks die hongeraars en barmhartigheidswerken toetst. Zij neemt degenen die de nood verachten.
Na de begrafenis wordt de molen stilgelegd. Geen molenaar durft daar nog te werken. Tot op vandaag staat het gebouw er, leeg en stil, een waarschuwing aan allen die voorbijgaan: wees mild voor wie arm is, want gij weet niet wie gij afwijst.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


