Shield
Diest, Vlaams-Brabant

Het Heksenkasteel

Tier 0+ - Publiek 4 min Heksenverhaal
Flag
Advertentie
OthalaOthalaHandgebouwde websites die je zelf bezit

In de dichte bossen rond Diest, waar de Warande zich uitstrekt in eeuwenoude bomen, fluisterden de mensen over een vervallen kasteel. Niet zomaar een kasteel, maar het heksenkasteel — een plek waar op bepaalde nachten duistere samenkomsten plaatsvonden. De mensen van Diest sloten ’s nachts hun deuren en ramen, kruisten zich tegen het kwaad, en waarschuwden hun kinderen nooit, maar dan ook nooit, het bos in te gaan als de maan vol was.

HW HW

1 De waarschuwing

Jef van Diest was vijfentwintig jaar oud en kende geen angst — of liever gezegd, hij wilde niet dat anderen dachten dat hij bang was. Hij was vrijgezel, stevig gebouwd, en iedereen in de stad kende hem als iemand die plezier maakte om dingen waar anderen zich ongerust over maakten. Op een koude oktoberavond, toen de volle maan hoog boven de Demer hing, zaten hij en zijn vrienden in de herberg naar wijn en sterke drank te luisteren.

De vrienden spraken in fluistertoon over het heksenkasteel, zoals iedereen deed in die tijd. In de Warande, zeiden ze, verscholen zich onnatuurlijke dingen. Er was een plek waar in vervallen stenen heksen samenkwamen, en hun naam fluisteren alleen al zou je heil kunnen brengen in gevaar. Een oude vrouw — niemand wist wie precies — zei dat ze een keer ’s nachts naar een heilige was gegaan omdat ze iets duisters in het bos had gezien.

Jef luisterde, lachte, en dronk zijn beker leeg. "Heksenkasteel," zei hij honend. "Jullie geloven werkelijk in sprookjes als kinderen. Ik ga erheen. Ik ga vanavond nog naar het kasteel, en ik zal je bewijzen dat het niets meer is dan een paar verweerde stenen." Zijn vrienden wilden het niet, maar Jef kon niet toegeven. Hij stond op, trok zijn mantel dicht, en liep de taverne uit in het maanlicht.

2 De weg door het bos

De Warande strekte zich voor hem uit als een zee van donkerte. De volle maan wierp zilveren stralen door de bladeren, maar zo hier en daar ontstonden diepe schaduwen tussen de bomen. Jef kende het bos min of meer — hij had er op jongere leeftijd meer dan eens wildjespoten — maar dit was anders. Het bos voelde niet onverschillig vanavond. Het voelde bijna bewust, bijna vijandelijk.

Na een uur stappen hoorde hij iets — of misschien voelde hij het eerder. Een trillen in de lucht, een zacht gefluister dat niet van wind kon zijn. Er waren geen vogels, geen nachtdieren. Het bos was muisstil, maar ook vervuld van spanning. Toen zag hij het: in een open plek, omgeven door eiken zo oud dat ze wel stenen leek te zijn, stond de ruïne.

Het kasteel was groter dan Jef had verwacht. De muren stonden nog overeind, hoewel ze bedekt waren met mos en begroeid met wilde wijn. Enkele ramen gapten leeg, als ogen zonder leven. En toen hoorde Jef iets — muziek. Niet gewone muziek, maar iets dat ergens tussen zingen en klagen hing. Zijn hart begon te bonzen. Dit kon niet goed gaan.

3 De sabbat

Jef naderde de ingang voorzichtig. De deur hing half los op de hengsels, en van binnen kwam een rood licht dat bijna leek te ademen. Hij duwde de deur open — deze gaf mee alsof hij erop wachtte — en trad de grote zaal binnen.

Wat hij zag zou hij zijn hele leven niet kunnen vergeten. De zaal was verlicht door honderden kaarsen, maar hun licht was niet warm, niet geel, maar vuurrood. Rond een altaar van zwart steen stonden figuren in lange mantels, en hun gezichten waren verborgen onder diepe kappen. Ze zongen — maar het was geen zang zoals stervelingen kennen. Het was de geluid van wind in een grafkelder, van vallende botten, van dingen die niet zouden moeten leven.

En toen zag Jef één ding dat zijn bloed tot ijs bevroor: één van de figuren draaide zich om, en onder de kap zag hij geen menselijk gezicht. Het waren spindelpoten waar ogen zouden moeten zijn, en een mond vol scherpe tanden die tot het oor reikte. In dat moment besefte Jef dat wat hij zag niet van deze wereld was.

4 De vlucht

Jef gilde. Hij kan niet anders, hij kon alleen maar gillen. Hij draaide zich om en rende naar buiten, weg van de uithoek van het kasteel, terug in het bos. Achter hem hoorde hij dat de muziek stilhield, en in plaats daarvan het geluid van voeten — veel voeten — die achter hem aan kwam. Takken sloegen in zijn gezicht, wortels probeerden hem te doen struikelen, maar hij rende.

Hij rende zonder richting, puur op instinct. Ten slotte bereikt hij de rand van het bos en zag hij het stadslicht — de lampen van Diest, veilig en warm. Hij liep niet naar huis, maar rechtstreeks naar de Sint-Sulpitiuskerk, waar de priester nog wakker was. Jef viel op zijn knieën en biechtte alles op, alles wat hij had gezien, alles wat hij had gevoeld.

De priester gaf hem absolutie en zei niets. Maar van die dag af sprak niemand meer openlijk over het heksenkasteel. En Jef — Jef verliet Diest twee maanden later en keerde nooit meer terug. Naar men zei, trok hij naar het zuiden, waar de zon altijd scheen en waar geen bossen waren. En wie ’s nachts door de Warande wandelde en goed luisterde, hoorde soms nog die vreemde muziek in de wind, en die herinnerde hen eraan dat sommige plaatsen beter verlaten konden blijven.

Bron: Vlaamse volksoverlevering, Diest
Wist je dat? De Warande is een oorspronkelijk middeleeuws bos rond Diest dat door de hertogen van Brabant werd behouden als jachtgebied. De middeleeuwse stadsmuren van Diest, waarvan nog duidelijke restanten zichtbaar zijn, beschermden de burgers tegen de wildernissen daarbuiten.
Heimweer Heimweer

Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard