Het toverboek van Bekkevoort
In de donkere jaren van het Duitse rijk was er een jongen die zijn vrienden verloor en slechts een toverboek overwon. Dit verhaaldraagt de waarschuwing van hen die te diep in de zwarte kunsten duiken, te ver om terug te keren maar niet ver genoeg om meester te zijn van hun eigen lot.
1 Het geschenk uit Duitsland
Ergens in de eerste decennia van de vorige eeuw had een jongen uit Bekkevoort vrienden die naar Duitsland waren gereisd, naar het verre land waar de bergen hoog waren en de nacht dieper leek. Deze vrienden keerden terug met geschenken, zoals vrienden dat doen, en voor onze jongen brachten zij een boek mee. Niet zomaar een boek — het was met fijne leer gebonden, met gouden letters op de rug, en de bladzijden waren glad als zijde en wit als sneeuw.
De jongen nam het boek aan met de blijdschap die alleen kinderen kennen als zij iets krijgen dat hun groter en ouder maakt dan zij zijn. Hij bedankte zijn vrienden vele malen, en diezelfde avond ging hij in zijn slaapkamer zitten en begon hij te lezen. De woorden stroomden over de bladzijden als goud, en hij kon zijn ogen niet van de pagina’s afwenden. Hoe verder hij las, hoe mooier het boek hem voorkwam, hoe meer het hem trok als een magneet die het ijzer in zijn borst beroerde.
Zijn moeder riep hem voor het avondeten, maar hij hoorde haar niet. Zijn vader vroeg of alles goed was, maar hij antwoordde in mompels. Nacht na nacht zat hij gebogen over dit boek, en nacht na nacht werd het duister van Bekkevoort dieper en gelijkmatiger, als een oceaan waarin hij wegzonk. Niemand in het huishouden besefte wat er aan de hand was. Niemand besefte dat het boek geen gewoon boek was.
2 De vloek op het huis
Een week nadat de jongen het boek uit handen van zijn Duitse vrienden had ontvangen, werd zijn vader ziek. Niet ziek zoals mensen ziek worden van verkoudheid of griep — dit was een ziekte die niet in de lichamen van dokters stond beschreven. De vader lag in bed en kon niet opstaan. De priester werd gebeld, de dokter werd gebeld, maar hun medicijnen en hun gebeden hadden geen macht. Na drie dagen stierf hij, en Bekkevoort verloor een man.
De jongen zat naast het lichaam van zijn vader en voelde iets ergs in zijn borst groeien. Het boek lag nog in zijn slaapkamer, en hoewel hij wilde dat hij het zou verbranden, voelde hij zich erdoor aangetrokken als een vogel die door een slang wordt gehypnotiseerd. Hij kon zijn blik niet van de bladzijden afwenden, ook al wist hij nu, ergens diep in zijn ziel, dat het boek vervloekt was.
En alsof de dood van zijn vader niet genoeg was, werd zijn neef ziek en stierf ook. En toen, slechts een week later, werd zijn tante ziek en overleed eveneens. Drie doden in acht dagen stierven in Bekkevoort, allemaal verbonden aan het huishouden van de jongen, alsof de dood zelf was aangetrokken door het toverboek en had besloten een feest te vieren. De buurt fluisterde. De priesters preken zegden gebeden over het huis. Maar niemand wist wat de oorzaak was.
3 De bevrijding
Op een nacht, terwijl de rest van het dorp sliep, zat men te waken bij de jongen’s vader, die nog niet dood was maar niet meer leefde. De vrouwen van de buurt zaten in de kamers van het huis, zingend en biddend zoals vrouwen dat doen bij sterfbedden. De jongen zat ook in de kamer, bleek en bevend, en plotseling sprong hij recht zonder enig teken, zonder woord, en liep weg. Niemand kon hem tegenhouden. Het was alsof iets hem bezat, alsof een onzichtbare hand hem voort sleepte.
Even later kwam hij terug en sprong weer recht en liep weer weg. Dit gebeurde keer op keer, als een toneelstuk dat zichzelf herhaalde. Een neef van de jongen, die zijn verstand niet had verloren, deed snel de deur op slot en zei tegen de jongen: ’Let op! Als er daarbuiten een man verschijnt, moet je weg. Dat weet ik zeker.’ De jongen keek hem aan met ogen vol hol verdriet en knikte.
Kort nadat deze woorden waren gesproken, was er iets te zien buiten het raam — iets dat leek op een bliksemschicht, maar toen langzamer en gekoncentreeder, als een hand die uit de duisternis naar binnen reikt. De jongen sprong recht van zijn stoel en probeerde door de deur te gaan, maar deze was gesloten. Hij sloeg erop en schreeuwde zonder geluid, en toen sprong hij door het raam naar buiten en verdween in de nacht.
Bij middernacht — het uur waarop de grens tussen werelden het dunst is — keerden er drie priester en de pastoor zelf naar het huis van de jongen. Zij hadden wijwater meegebracht, gewijd in de kapel van Bekkevoort door de handen van degenen die nog geloofden. Ze wilden het mengsel over de jongen sprayen, hem verzegelen met het teken van het kruis. Maar toen zij hem probeerden aan te raken, was het alsof hij van ijzer was gemaakt. Drie uur lang, drie hele uren, moesten drie sterke mannen aan het wijwatervat trekken voordat zij de jongen zelfs maar een kruisje konden geven.
De volgende dag, toen de zon opkwam over Bekkevoort en de duisternis terugtrok, bracht men de jongen naar de pastoor zelf. De pastoor keek naar hem met ogen die eeuwen hadden gezien, en hij zei langzaam: ’Jongen, je had nooit in zo’n boek mogen lezen. De toverij ervan heeft zich in je ingegraven als een roos met doornen. Maar er zal iemand komen die jouw toverkracht zal afnemen.’
Aan negen uur die ochtend kwam er een grote man uit Diest — een man wiens naam nooit in het dorp werd gefluisterd, alsof zijn naam alleen in het Latijn mocht worden uitgesproken. Hij ging naar de jongen toe, en met woorden die in geen enkele menselijke taal waren, sprak hij een gebed. En net zoals de zon de mist verdrijft, verdween de toverkracht van de jongen als rook in de wind. De jongen huilde, en de tranen waren blank en zuiver, en Bekkevoort was verlost.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


