Keizer Karel en het klooster zonder zorg
In heel Vlaanderen vertelt men verhalen over Keizer Karel, de vorst die graag vermomd rondtrok om zijn onderdanen te testen. Dit is het verhaal van een klooster dat beweerde zonder zorgen te leven — en van de man die dat bewees.
1 Het uithangbord
Niet ver van Deinze stond een klooster waarvan de monniken het goed hadden. De akkers waren vruchtbaar, de kelders vol, en de abt was een goedmoedige man die zijn broeders niet te hard liet werken. Boven de poort hing een bord met de woorden: ’Hier leeft men zonder zorg.’
Op een dag reed Keizer Karel V langs het klooster, vermomd als gewone reiziger. Hij las het bord, trok een wenkbrauw op en klopte aan. De abt ontving hem gastvrij, zonder te weten wie zijn bezoeker was. Karel at van het brood, dronk van de wijn en keek rond. Toen hij vertrok, liet hij een brief achter met het keizerlijk zegel. De abt brak het zegel en las: ’Binnen drie dagen kom ik terug. Dan zult gij mij drie vragen beantwoorden. Eerstens: hoe diep is de zee? Tweedens: hoe ver is het van hier tot de zon? Derdens: wat denk ik op dit ogenblik? Kunt gij dat niet, dan verliest het klooster zijn bezittingen.’
2 De molenaar
De abt was radeloos. Hij ijsbeerde door de kruisgang, sloeg in zijn brevier en bad om goddelijke inspiratie. Maar geen engel fluisterde hem de antwoorden in. Op de tweede dag, toen de abt bij de molen halt hield om graan te bestellen, vertelde hij zijn leed aan de molenaar — een brede kerel met meel in zijn baard en een slimheid die geen boek hem had geleerd.
’Geef mij uw pij en uw mijter,’ zei de molenaar. ’Ik ga in uw plaats.’ De abt protesteerde, maar de molenaar drong aan. ’Wat hebt gij te verliezen? Als ik faal, verliest gij het klooster toch. Als ik slaag, houdt gij alles.’ De abt gaf toe. Hij trok zijn habijt uit, hing de molenaar de mijter op het hoofd en verstopte zich in de kelder.
3 De drie antwoorden
Op de derde dag verscheen Keizer Karel met zijn gevolg. De molenaar, gehuld in het habijt van de abt, ontving hem in de kapittelzaal. Karel ging zitten, sloeg zijn armen over elkaar en stelde de eerste vraag: ’Hoe diep is de zee?’
De molenaar antwoordde zonder aarzelen: ’Een steenworp diep, Sire — als de steen maar lang genoeg is.’ Karel knikte. De tweede vraag: ’Hoe ver is het van hier tot de zon?’ De molenaar wees naar het raam, waar het licht naar binnen viel. ’Eén koeistaart ver, Sire — als de staart maar lang genoeg is.’ Karel grinnikte. De derde vraag: ’Wat denk ik op dit ogenblik?’
De molenaar zette de mijter af, veegde het meel uit zijn baard en zei: ’Gij denkt dat gij spreekt met de abt van dit klooster. Maar gij spreekt met de molenaar van het dorp.’
Karel lachte zo hard dat de muren ervan dreunden. Hij stond op, sloeg de molenaar op de schouder en verklaarde het klooster veilig. ’Een klooster dat zulke buren heeft,’ zei hij, ’verdient het om zonder zorg te leven.’ En het bord boven de poort bleef hangen, want niemand durfde het meer in twijfel te trekken.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


