De Heinzelmannetjes van Keulen
Vroeger hoefden de Keulse ambachtslieden niet te werken. ’s Nachts kwamen de Heinzelmannetjes, kleine mannetjes die bakten, timmerden, naaiden en poetsten terwijl de stad sliep. Niemand mocht ze zien. Toen de nieuwsgierige vrouw van een kleermaker erwten op de keldertrap strooide om ze te laten struikelen, verdwenen ze en zijn nooit meer teruggekeerd.
1 De stad die zichzelf bouwde
Keulen was rijk aan ambachten: bakkers, slagers, kuipers, wijnbouwers, timmerlieden, kleermakers. En Keulen had, zeggen de oude mensen, iets wat geen andere stad had. Wanneer de meesters ’s avonds hun werkplaats sloten en naar bed gingen, ging het werk gewoon door.
De bakker legde zijn deeg klaar en vond ’s morgens de broden gebakken en in rijen op het rek. De timmerman liet een half gezaagde balk liggen en vond een afgewerkte kast. De kuiper vond zijn duigen tot vaten gebonden. Niemand had iets gehoord behalve een zacht geritsel, als muizen in het stro, en af en toe een lachje.
Het waren de Heinzelmannetjes: klein, vlug, in nachtelijke drukte. Ze vroegen geen loon en aten alleen wat men uit dankbaarheid liet staan, een kom melk of wat brood. Ze hadden maar een voorwaarde, en die was ongeschreven maar ijzeren: niemand mocht ze zien.
2 De vrouw met de erwten
In de Kleermakersstraat woonde een kleermaker met een vrouw die het niet uithield. Elke ochtend het werk af, elke ochtend hetzelfde raadsel. Ze wilde weten hoe ze eruitzagen. Ze had er nachten voor wakker gelegen, ze had door kieren gekeken, ze had haar man gevraagd op te blijven, maar telkens viel de slaap over het huis zodra de mannetjes kwamen.
Dus bedacht ze een list. Op een avond strooide ze een emmer droge erwten over de keldertrap, de trap waarlangs ze naar boven moesten komen. Dan zouden ze uitglijden, dan zouden ze rollen en vallen, en dan zou ze met de kaars in de deuropening staan en ze eindelijk zien.
Het werkte. Midden in de nacht klonk er gestommel, geglij, een val, en nog een, en toen een geschreeuw van tientallen kleine stemmen. De vrouw rukte de deur open en hield de kaars omhoog.
3 Wat er sindsdien gebeurt
Wat ze zag, vertelt het verhaal niet. Er wordt alleen gezegd dat het licht viel, dat er een stilte kwam die dieper was dan de stilte ervoor, en dat de mannetjes weg waren.
Ze kwamen niet terug. Niet de volgende nacht, niet de nacht daarna, nooit meer. De bakkers stonden weer om vier uur op, de kleermakers naaiden weer bij kaarslicht tot hun ogen brandden, en de kuipers bonden hun eigen vaten. Sindsdien werkt Keulen, zegt men, zoals elke andere stad: met de hand en van ’s ochtends vroeg.
De stad heeft de mannetjes nooit vergeten. In 1836 goot de dichter August Kopisch het verhaal in verzen die generaties kinderen uit het hoofd leerden, en in 1899 kreeg het een fontein: de Heinzelmännchenbrunnen aan de Am Hof, vlak bij de Dom, waar de kleermakersvrouw in steen op haar trap staat met de erwten in haar hand. Het is een merkwaardig monument. Een stad die een standbeeld opricht voor het moment waarop haar geluk werd verspeeld, en voor de vrouw die het verspeelde.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


