De Kinderzeche van Dinkelsbühl
Aan de Wörnitz, tussen Rothenburg en Nördlingen, ligt Dinkelsbühl: ooit vrije rijksstad, vandaag een van de gaafst bewaarde middeleeuwse stadjes van Duitsland. Elk jaar in juli trekken hier de kinderen van de stad in zeventiende-eeuws kostuum door de straten, met de Knabenkapelle in rococo-uniform voorop. Het feest heet de Kinderzeche. Het verhaal dat erbij hoort gaat over een meisje dat een heel leger tot inkeer bracht. Dat verhaal is prachtig. Het is alleen niet gebeurd — en dat maakt het voor wie het viert niet minder waar.
1 Lore en de kinderen voor de poort
Het jaar is 1632, en de Dertigjarige Oorlog duurt dan al veertien jaar. Zo begint het spel dat de Dinkelsbühlers elke zomer opvoeren. De raad van de stad zit bijeen en is verdeeld: verzet bieden of de poorten openen. Voor de muren ligt een Zweeds leger onder de overste Sperreuth. De heren zien uiteindelijk in dat tegenstand niets oplevert en geven de stad over, in de hoop dat zij gespaard blijft.
Een Zweedse onderhandelaar wordt door de burgemeester gevraagd wat voor man zijn aanvoerder eigenlijk is. Zonder er iets achter te zoeken vertelt hij dat de jonge zoon van de overste kort tevoren gestorven is. Lore, de dochter van de stedelijke torenwachter, staat toevallig in de raadszaal en hoort het. Zij zegt niets, maar zij heeft een gedachte, en zij gaat de kinderen van de stad halen.
Bij de overgave kondigt de overste aan dat hij Dinkelsbühl voor haar aarzeling zal straffen: de stad zal aan zijn soldaten worden overgelaten en daarna verdwijnen. Dan gaat de poort open en komt Lore naar buiten, met achter zich de kinderen van de stad. Zij vraagt geen recht, alleen genade, en dan nog omwille van de kinderen. De overste, nog in rouw om zijn eigen jongen, kijkt naar de rij gezichten voor hem en spaart de stad.
2 Wat de bronnen werkelijk zeggen
Dinkelsbühl staat er nog, en dat is ongeveer het enige aan dit verhaal dat vaststaat. De stad werd op 11 mei 1632 zonder gevecht aan de Zweden overgedragen. Dat was een besluit van de raad, en de overwegend protestantse burgerij verwelkomde het eerder dan dat zij het betreurde. In de loop van de oorlog werd de rijksstad achtmaal bezet, afwisselend door keizerlijke en door Zweedse troepen, en zij werd nooit verwoest. Wat Dinkelsbühl uitputte waren geen brandende straten maar rekeningen: inkwartiering, contributies, afkoopsommen. De landsknecht Peter Hagendorf noteerde in zijn dagboek dat hij hier meermaals werd ingekwartierd.
Ook de naam van het feest wijst een andere kant op. Een Zeche is een gelag, een maaltijd die een ander betaalt. De Kinderzeche was oorspronkelijk een schoolfeest. Vanaf 1629 is er zechgeld aanwijsbaar voor de leerlingen van de katholieke Latijnse school, die aan het begin van de vakantie in optocht naar een dorpsherberg trokken; vanaf 1654 bestond daarnaast een evangelische Kinderzeche, en vanaf 1666 keerde de stadskas de kinderen vier gulden uit voor hun gelag. Tot het einde van de rijksstad in 1802 bleven de twee feesten netjes gescheiden, per confessie en een week uit elkaar.
Pas in 1848 werd het schoolfeest aan het jaar 1632 vastgeknoopt en kregen de jongens Zweedse uniformen. En pas in 1897 schreef Ludwig Stark het historische Festspiel waarin Lore de tegenspeelster van de overste werd. Er leefde in de stad al langer een sage over kinderen die Dinkelsbühl hadden gered; Stark gaf haar een naam, een gezicht en een toneel.
3 Tien dagen juli achter zestien torens
Wie het feest wil begrijpen, kijkt eerst naar de muur. De bouw van de huidige stadsomwalling begon na 1372; zij is 2,5 kilometer lang en omsluit ongeveer 33 hectare. Nog altijd staan er zestien torens en vier poorten overeind, van het laat-Staufische Wörnitztor tot het Rothenburger Tor van omstreeks 1390. Dat er zo weinig verdween, dankt de stad aan koning Ludwig I van Beieren en zijn monumentenwetgeving van 1826. Strenge voorschriften houden het beeld intact: geen lichtreclame, rode dakpannen, vaste vensterindeling.
Binnen de ring staat het Münster Sint-Georg, tussen 1448 en 1499 gebouwd naar plannen van Niclaus Eseler, en een van de belangrijkste laatgotische hallenkerken van Zuid-Duitsland: drie beuken van gelijke hoogte, 22 achthoekige pijlers die het netgewelf dragen, en een romaans torenportaal dat ouder is dan de kerk eromheen.
Het feest zelf beslaat de weekenden voor en na de derde maandag van juli. Meer dan elfhonderd Dinkelsbühlers doen mee: scholieren in optocht, reidansen op het plein, een Zweeds kamp buiten de muur, kermis op de Schießwasen. De Knabenkapelle gaat voorop. En Lore loopt elk jaar opnieuw de poort uit, aan het hoofd van kinderen die haar spelen zoals hun ouders haar speelden. Een stad die zichzelf een redster heeft geschonken omdat zij er in werkelijkheid geen had — dat is geen leugen. Dat is een herinnering die troost zoekt, en die na bijna vier eeuwen nog altijd werkt.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


