De maagd van Magdeburg en de ruiter op de Alte Markt
Wie op de Alte Markt van Magdeburg staat, ziet maagden. Eén draagt een groene krans en woont tussen de torens van het stadswapen; twee andere staan in zandsteen naast een ruiter te paard, de ene met een schild, de andere met een vaandellans. Zij horen bij hetzelfde verhaal: dat van een stad die haar eigen naam las als «burcht der maagden» en die maagd vervolgens tot haar zinnebeeld maakte — van keizerin tot stadsrecht, van het jaar 805 tot vandaag.
1 De burcht der maagden
Het wapen van Magdeburg is eenvoudig te lezen en juist daarom raadselachtig. Op een zilveren veld staat een rode, zwart gevoegde burcht met twee torens, een geopende gouden poort en een opgetrokken zwart valhek. Tussen de torens verschijnt een in het groen geklede jonkvrouw, die in haar rechterhand een groene krans omhoog houdt — de krans als teken van reinheid. Het stadszegel met een vrouw boven een meertorige burchtpoort wordt voor het eerst in 1244 vermeld, in de tijd waarin de burgerij haar eigen raad vormde.
Heraldici noemen zoiets een sprekend wapen: het beeld spelt de naam. Maagd plus burcht is Magdeburg, en zo verklaarde het volk eeuwenlang waar de stad haar naam vandaan had. Er zou op de hoogte boven de Elbe een burcht hebben gestaan waar jonkvrouwen woonden — edele dochters, of dienstmaagden van een vorst — en naar hen zou de plaats zijn genoemd. Wie het wapen zag, kende meteen de stad.
De geleerden houden het anders. De naam duikt in 805 voor het eerst op, in het Diedenhofener Kapitular van Karel de Grote, als Magadoburg. De naamkundige Jürgen Udolph vermoedde in 1999 achter dat eerste lid een niet overgeleverd Germaans bijvoeglijk naamwoord magath, «groot, machtig»: Magdeburg zou dan simpelweg de machtige burcht zijn. Harald Bichlmeier trok die verklaring in 2010 weer in twijfel. Zeker is alleen dit: de maagd in het wapen is de uitleg van de burgers, niet die van de taalkunde.
2 Editha, de keizerin die de stad kreeg
De overlevering gaf de jonkvrouw ook een gezicht. Zij zou Editha zijn, in het Angelsaksisch Eadgyth, dochter van koning Eduard de Oudere van Wessex en kleindochter van Alfred de Grote. In 929 kwam zij naar Saksen; kort daarna huwde zij Otto, de latere keizer Otto de Grote. Magdeburg kreeg zij als morgengave, het geschenk van de bruidegom aan de bruid na de huwelijksnacht. De stad was dus letterlijk van haar.
Editha hield van die stad meer dan van welke andere plaats in het rijk, en de stad hield van haar terug. Zij verbleef er graag, schonk aan kloosters en bracht de verering van de heilige Oswald naar Duitsland. Toen zij in 946 onverwacht stierf, nauwelijks zesendertig jaar oud, rouwden de Magdeburgers als om een eigen dochter. Zo, zegt de legende, kwam de vrouwenfiguur tussen de torens: de burgers wilden hun keizerin voor altijd in hun wapen eren.
Ook hier scheiden legende en geschiedenis zich. Het zegel is bijna driehonderd jaar jonger dan Editha, en geen middeleeuwse bron noemt haar naam bij het wapen. Maar haar graf bestaat wel degelijk. In 2008 vonden archeologen in de Magdeburger Dom een loden kist in een stenen sarcofaag; onderzoek bevestigde in 2010 dat de beenderen uit Zuid-Engeland stamden. Otto de Grote, die in 968 het aartsbisdom stichtte en in 973 stierf, ligt naast haar in dezelfde kerk.
3 De ruiter, het recht en het jaar 1631
De derde maagd — eigenlijk zijn het er twee — staat op de Alte Markt. Rond 1240 hakte een Magdeburgse werkplaats uit fijnkorrelige zandsteen een ruiter te paard, geflankeerd door twee jonkvrouwen: de rechter met een schild waarop vermoedelijk ooit een rijksadelaar geschilderd stond, de linker met een vaandellans. Het is het oudste vrijstaande ruiterstandbeeld ten noorden van de Alpen. Een inschrift ontbreekt, dus wie de ruiter is, moet worden geraden. Het volk noemde hem al vroeg Otto de Grote; kunsthistorici houden die duiding voor de waarschijnlijkste. Anderen lezen in het beeld geen bepaalde man maar een ambt: de rijkskeizer die recht spreekt, met naast zich de draagsters van vaandel en schild — de stedelijke vrijheid onder keizerlijke bescherming. De Magdeburgers zagen in die twee vrouwen natuurlijk hun eigen maagden terug. Het origineel staat sinds 1966 in de Kaiser-Otto-Saal van het Kulturhistorisches Museum; op de markt houdt een kopie van beeldhouwer Heinrich Apel de wacht.
Recht is het derde woord dat bij die maagd hoort. Een privilege van aartsbisschop Wichmann uit 1188 legde de vrijheden van de burgers vast, en de Magdeburgse schepenstoel groeide uit tot een gerechtshof waaraan andere steden hun rechtsvragen voorlegden. Het Magdeburger Recht trok mee met de kolonisten naar het oosten: Krakau nam het in 1257 aan, Vilnius in 1387, Kiev en Minsk tegen het einde van de vijftiende eeuw; in Oekraïne gold het tot 1840. Voor honderden steden was de maagd van Magdeburg het zinnebeeld van een gemeenschap die haar eigen recht sprak en zich niet liet nemen.
En toch werd zij genomen. Op 20 mei 1631 bestormden de keizerlijke troepen van Tilly en Pappenheim de stad; in de brand die volgde ging vrijwel alles verloren en kwamen naar schatting twintigduizend mensen om. Europa noemde het de Magdeburger Hochzeit, en het werkwoord magdeburgisieren betekende voortaan: een stad volledig uitwissen. De schepenstoel hield op te bestaan. Wat overbleef, herbouwden de burgers steen voor steen — en boven de nieuwe poorten hing weer dezelfde jonkvrouw met haar krans, alsof niemand haar ooit iets had kunnen doen.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


