De duivel, de engel en het Rote Haus van Monschau
Monschau ligt zo diep in het dal van de Rur dat de vakwerkhuizen tegen de leisteenhellingen lijken te hangen. Tot 1918 heette de stad Montjoie; keizer Wilhelm II liet de oude Franse naam op 9 augustus van dat jaar verduitsen tot Monschau. Boven de daken staat de ruïne van de burcht, beneden aan het water staat het Rote Haus van de lakenfabrikanten Scheibler. En stroomopwaarts, hoog boven de Perlenbach, liggen twee rotsblokken die de Eifelers de Teufelsley en de Engelsley noemen. Over die twee stenen vertelt men in het Monschauer Land het oudste verhaal van het dal.
1 De hertogen, het klooster en de burcht
Rond 1131 schonken de hertogen van Limburg hun burcht Richwinstinne, vijf kilometer ten westen van het latere Monschau, aan de orde van de premonstratenzers. Op de heuvel diep in het Rurdal groeide daaruit het klooster Reichenstein. De hertogen zaten daarmee zonder vesting, want de Haller aan de overkant van het dal lag te krap om uit te breiden. Walram van Limburg liet daarom tegen het einde van de twaalfde eeuw een nieuwe burcht bouwen op de rots boven de bocht van de Rur.
In 1198 duikt de naam Mons Ioci voor het eerst in de oorkonden op; in 1217 noemt aartsbisschop Engelbert I van Keulen het castrum in Munjoje. In 1354 kwam de burcht aan de heren van Gulik, die haar met zware ringmuren, een ophaalbrug, een kapel en de Eselsturm tot een echte vesting uitbouwden. De troepen van keizer Karel V plunderden burcht en stad in 1543. Onder Frans bestuur lieten de eigenaars het dak van de bovenburcht afbreken om geen belasting te hoeven betalen, en zo verviel de vesting tot ruïne. De stad kocht haar in 1900 terug; sinds 1929 huist er een jeugdherberg in de herbouwde palas.
2 De duivel boven de Perlenbach
Terwijl de bouwlieden beneden aan het klooster Reichenstein metselden, keek de duivel toe vanaf de hoogte. Elke steen die in de muur ging, zo vertelt men in het Monschauer Land, nam een stuk van zijn macht over de Eifel weg. Een klooster in dit dal betekende klokken, gezang en gebed tot in de verste heide, en dat kon hij niet dulden.
Hij klom naar de rand van het Perlenbachdal, waar de beek naar de Rur toe valt, en wrikte daar een blok leisteen los, groot genoeg om kerk en kruisgang in een keer onder zich te begraven. Hij zette zich schrap, tilde de steen op zijn schouder en zocht beneden de bouwplaats.
Maar op de rots tegenover hem stond een engel, en ook die had een steen bij zich: een blok dat het zijne ver overtrof. Er viel geen woord. De duivel keek naar de steen van de engel, keek naar zijn eigen steen, en begreep dat hij deze worp niet zou winnen. Hij liet zijn blok vallen waar hij stond. De engel liet het zijne los op de plek waar hij de wacht had gehouden.
De twee stenen liggen er nog altijd, ongelijk van formaat, hoog aan de westelijke helling boven de Perlenbach. Het kleinste blok heet de Teufelsley, het grote de Engelsley. Wie vandaag de Jahrhundertweg van de Eifelverein tussen Perlenau en Burgau loopt, komt er vlak langs. En het klooster beneden in het dal werd afgebouwd, precies zoals de duivel had gevreesd.
3 Het Rote Haus en de trap van laken
Zeshonderd jaar na de hertogen kwam de rijkdom van Monschau niet meer van de burcht maar van laken. Protestantse lakenmakers uit Aken en het Bergische Land vonden in het smalle dal vrijheid en, minstens zo belangrijk, kalkvrij zacht water waarin wol zich helder liet verven. Johann Heinrich Scheibler (1705-1765), zoon van een dominee, nam op zijn achttiende de lakenfabriek van zijn schoonvader over. Hij liet Spaanse merinowol over Antwerpen en Rotterdam komen, verfde de wol voor het weven in plaats van erna, en leverde gevlamde en gebloemde stoffen aan het rococo van half Europa en aan de Levant. Naar eigen zeggen leefden meer dan vierduizend mensen van zijn fabriek.
Tussen 1752 en 1768 liet hij aan de Rur het Rote Haus bouwen: woonhuis, kantoor, magazijn en werkplaats in een, met een bakstenen gevel tussen al het vakwerk van de stad. Scheibler stierf voor het klaar was. In de hal staat zijn trap: een vrijdragende eiken trap over drie verdiepingen, met eenentwintig gesneden cartouches waarop putti het wassen, spinnen, scheren, weven, vollen, ruwen en vervoeren van het laken uitbeelden. Geen wapenschild, geen heiligenleven — zijn ambacht zelf, in rococo gesneden.
Sinds 1931 is een deel van het huis museum; in 1963 bracht de familie het onder in een stichting. Wie de trap opgaat en daarna het Perlenbachdal in wandelt, heeft in een uur de twee verhalen van Monschau gezien: het laken beneden, en de twee stenen boven.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


