Alice van Quinipily — de grafrof
Op het kasteel van Quinipily bij Baud in Morbihan leefden eeuwen geleden een oude rijke heer en zijn jonge vrouw. Lange tijd kreeg het paar geen kinderen, doch eindelijk werd hun een dochtertje geboren dat zij Alice noemden. Het meisje groeide op tot een schoonheid van haar leeftijd, doch haar levenslot was kort en haar grafrust werd geschonden. Een dubbel-spook van begeerte en spijt.
1 Het verlangen naar een kind
Op Quinipily, nabij het stadje Baud, leefde een oude, rijke heer, die miljoenen bezat doch toch niet gelukkig was. Hij kon het ook niet zijn, want hij had geen kinderen. Om het lot toch nog te verzoenen had hij dikwijls aan armen en zieken gaven verdeeld, bedevaarten gemaakt, kaarsen aangestoken en gebeden gezegd — tevergeefs. Zijn wens ging niet in vervulling.
Treurig en eenzaam sloop de ouderdom dichterbij, want de heer was meer dan zestig jaar oud, en zijn vrouw kwam de halve eeuw nabij. Toen zij reeds alle hoop hadden opgegeven, schonk de natuur hun toch nog een bekoorlijk meisje, dat bij de doop de naam Alice ontving. Onmogelijk is het de vreugde te beschrijven die het echtpaar over de geboorte van dit zo gewenste kind gevoelde.
2 Alice op zestien
Met twaalf jaar was Alice slank als een hennepstengel, lenig als een rietstengel, fris doch bleek als de wilde roos. Doch zij was zwak van natuur, en de beroemdste artsen schreven haar geregelde activiteit voor, frisse veldlucht, ritjes te paard, en verbiedden voor altijd doorwaakte nachten. Alice volgde de raad nauwgezet. Zij reed dagelijks op haar witte pony door de streek, bezocht hutten en katen, deelde geld en goede woorden uit. Haar hart was van goud.
Met zestien jaar bloeide Alice als de tuinroos. Mannen kwamen tot twintig mijlen ver om haar te zien, ontvlamd door haar jonge bekoorlijkheid. De oude vader drong aan op een huwelijk, doch Alice wilde zich niet binden. Toen kwam uit Versailles een jonge, schone man — een verre verwant van de ouders. Hij zag Alice, beminde haar, en zij hem. Zij besloten te trouwen.
3 De voorboden van het ongeluk
Het bruiloftsfeest was schitterend. Doch boven al die pracht sloop een geheime onrust. Want voor wie het kon zien, waren de voortekenen ongunstig: op de avond vóór het feest had de hondemeute van het kasteel de hele nacht gehuild; de bruiloftskaarsen voor de bruid hadden slechts zwak gebrand en zonder rook waren zij gedoofd; bij het maal werd zout op de tafels gemorst; Alice werd op een dertiende van de maand getrouwd, en dertien vrouwen waren de morgen die haar garderobe hadden bijgewoond.
Geheel in haar geluk verzonken, had Alice geen van die voortekenen opgemerkt. Een gelukkige bruid kan niet vermoeden dat het ongeluk haar al volgt. Enkele dagen na het huwelijk reisden zij naar Versailles, waar haar man zoveel wonderlijks van had verteld. Doch in Versailles vergat Alice de raad van de artsen: nachten op bals, dagen vol feesten. Spoedig verbleekten de rozen op haar wangen.
4 De grafrof en de geest
Toen Alice de ernst van haar toestand inzag, wilde zij naar haar ouders terugkeren. Doch het was te laat. In een slapeloze nacht hoorde zij aan haar venster een klepelende uil en het kraken van het wielen van een lijkenkar voor de poort. Alice wist: haar tijd was om. Zij bereidde zich voor op de dood en wilde met al haar kleren en sieraden begraven worden — opdat geen spoor van haar ijdelheid zou achterblijven. Zo stierf zij.
Op de boerderij die bij het kasteel hoorde, leefden in die tijd een jonge knecht en een knappe meid die elkaar trouw hadden beloofd. Met hun karige loon konden zij geen pacht betalen. «Met Alice ligt een schat in de aarde,» klaagde de knecht. «Één enkel sieraad zou ons gelukkig maken!» Diezelfde avond gingen zij naar het graf en plunderden het — alle juwelen, het zijden lijkkleed. Een maand later waren zij niet te herkennen: bleek, magertjes, schichtig. Elke nacht legde een grafstem hen een koude hand op het voorhoofd: «Geef mij mijn lijkkleed terug!» Eindelijk konden zij de angst niet meer dragen. In een stormnacht gingen zij heimelijk naar de begraafplaats, om alles terug te brengen. Wat zich daar voltrok, weet niemand. De volgende dag vond men naast het graf de hoed van de knecht, de rozenkrans van de meid en twee buksboomtwijgen die zij ter bescherming hadden meegenomen. Dat was alles. Nooit heeft men in de streek van Quinipily de twee mensen weer gezien.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


