Shield
Bagnoles de l’Orne Normandie, Normandie / Orne

Rapide, het paard dat de bron van Bagnoles vond

Tier 0+ - Publiek 4 min Volksverhaal
Flag
Advertentie
OthalaOthalaHandgebouwde websites die je zelf bezit

Aan de rand van het bos van Andaine, in het zuiden van de Orne, ligt een stadje dat om zijn water heen is gebouwd. Bagnoles de l’Orne heeft een meer, een casino, een lange rij rijk versierde villa’s en een badhuis waar het water het hele jaar door met dezelfde lauwe warmte uit de grond komt. En het heeft een verhaal dat elk kind er kent: dat niet een mens de bron vond, maar een paard.

HW HW

1 Een oud paard in het bos

De heren van Tessé woonden aan de zuidrand van het bos van Andaine, daar waar het bocage van de Orne overgaat in het oude Maine. Van één van hen, Hugues, vertelt men in de streek zolang iemand zich herinneren kan. Hij was vidame van La Ferté-Macé en heer van Tessé en van Couterne, en hij had een paard dat Rapide heette.

Rapide was geen gewoon rijdier. Het had zijn meester door veldslagen gedragen, jaar na jaar, en het had hem elke keer weer thuisgebracht. Maar paarden worden ouder dan hun roem. Op een ochtend stond het dier stram in de stal, met doffe ogen en een rug die doorhing, en het kon de last van een man in wapenrusting niet langer torsen.

Wat men in die tijd met zo’n paard deed, weet iedereen die van het land komt. Hugues bracht het niet op. Hij liet Rapide niet slachten en spande hem ook niet meer in, maar leidde hem op een morgen het bos in, tot ver voorbij de laatste akkers, en nam hem daar het halster af. Ga maar, moet hij gezegd hebben; hier is gras genoeg en water genoeg, en hier zal je in vrede sterven. Toen keerde hij om en reed naar huis op een ander paard, en hij keek volgens de overlevering geen enkele keer achterom.

2 De bron in de kloof

Enkele weken later — in sommige lezingen een maand, in andere maar een paar uur — stond er een paard voor de poort van Tessé. Het hinnikte zoals alleen Rapide hinnikte. Maar de vacht glansde, de rug stond recht, de ogen waren helder, en het dier trappelde als een driejarige. Hugues herkende zijn oude strijdros en geloofde zijn ogen niet.

Hij liet het dier begaan en ging er achteraan. Rapide liep het bos weer in, langs paden die niemand van het kasteel kende, tot in de kloof waar de Vée zich tussen de rotsen door snijdt. Daar, tussen het mos, kwam water uit de grond dat niet koud was. Er hing damp boven in de ochtendlucht. Herten stonden er tot aan de knieën in, weggedoken voor de honden. Rapide stapte het water in en dronk.

Hugues aarzelde, zegt het verhaal, want een oude ridder wantrouwt wat te mooi is. Toen legde hij zijn maliekolder af en ging zelf te water. Hij kwam eruit, zo wil de legende, met de lenigheid terug die hij voorgoed verloren waande. Uit dankbaarheid liet hij bij de bron een kapel en een gasthuis bouwen. Zo, zeggen de Bagnolais, is hun stad begonnen: niet met een bouwheer en niet met een heilige, maar met een paard dat niet wilde sterven.

3 Van fontein tot kuurstad

Wie de legende naast de documenten legt, ziet dat zij jonger is dan zij lijkt. Geen middeleeuws stuk noemt Rapide. In de zestiende eeuw waren de smederijen van Bagnoles bekender dan het water, en pas in de zeventiende eeuw duikt in geschriften de fontein van Baignoles op. De plaatsnaam zelf is ouder en gaat terug op het Latijnse balneolas, kleine baden, wat erop wijst dat men hier al lang vóór ridder Hugues in het water ging. Louis Dubois opperde in 1813 dat de bron gewoon vergeten en daarna herontdekt was.

Het verhaal kreeg zijn huidige vorm in de negentiende eeuw, toen de kuurplaats groeide en aan haar water een oorsprong wilde geven. Het varieert dan ook van verteller tot verteller: bij de ene drinkt Hugues, bij de andere baadt hij; bij de ene komt hij van een kruistocht terug, bij de andere is hij eenvoudig oud geworden.

Wat wel vaststaat, is het water. Het komt met een gelijkmatig debiet van achtenveertig kubieke meter per uur uit de grond, zwak gemineraliseerd en licht zuur, met een constante temperatuur van ongeveer vierentwintig graden, zomer en winter dezelfde. Vanaf 1886 groeide rond die bron een wijk van sierlijke villa’s; in 1907 stonden er drieënvijftig. Later kwamen het meer, het casino en de kerk uit 1934. Bagnoles heet het enige kuuroord van het Grand Ouest; dat gebied heeft geen vaste grenzen, maar in Normandië, Bretagne en de Pays de la Loire is er inderdaad geen tweede.

Bron: Bagnolese volksoverlevering; Hélie de Cerny, «Traité des eaux minérales de Baignoles» (1740); Louis Dubois, «Notice sur les bains de Bagnoles» (1813).
Wist je dat? De rotsen boven de stad heten le Saut du Capucin, naar een tweede Bagnolese legende over een stokoude kapucijn die na het bad over de klippen sprong; er tegenover ligt de Roc au Chien. Rond het kasteel dat vandaag het gemeentehuis is, ligt een arboretum van achttien hectare met honderdachtenzestig soorten, waaronder reuzensequoia’s. Het Casino du Lac is van de architect Auguste Bluysen; de kerk van het Heilig Hart dateert van 1934 en heeft een toren zonder klok. Bagnoles is lid van de Europese vereniging van historische kuursteden en draagt sinds 2023 het label Petite Cité de Caractère. De streek geldt bovendien als het land van Lancelot.
Heimweer Heimweer

Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard