De draak van het meer van de Canigó
Boven het dorp Casteil, in de Conflent, staat de Canigó: 2 784 meter steen, geplant zo dicht bij de Middellandse Zee dat men de berg vanaf het strand ziet liggen. De Catalanen noemen hem hun heilige berg. Twee verhalen hangen aan zijn flanken. Boven, in een meer vlak onder de top, zou een draak slapen. Beneden, op een rotsrichel, staat een abdij waar een graaf zijn eigen graf uit de rots hakte en er veertien jaar naast leefde.
1 De steen in het meer
De oudste versie komt van een Italiaan. Fra Salimbene de Adam, franciscaan uit Parma, schreef aan het eind van de dertiende eeuw zijn «Cronica», met daarin het verhaal dat de Catalanen sindsdien nooit meer vergaten. Koning Pere de Grote van Aragoën, in het Frans Pierre III, zou omstreeks 1280 de Canigó hebben beklommen. Twee ridders gingen mee, maar bleven onderweg achter, uitgeput door de dunne lucht. De koning klom alleen verder.
Boven vond hij een meer, zwart en volkomen stil. Hij raapte een steen op en wierp die in het water. Toen, zegt de kroniek, verhief zich uit het meer een draak van ontzaglijke grootte, die boven het water bleef zweven en met zijn adem de lucht zo dik en donker maakte dat het dag noch nacht meer was. De koning daalde af en vertelde wat hij gezien had.
Historici denken dat hij de eigenlijke top niet heeft gehaald: het meer is wellicht het groepje plassen dat Les Estanyols heet, vijfhonderd meter lager. Voor de overlevering maakt dat niets uit. Wat bleef, is de regel: werp nooit een steen in een bergmeer. De estanys van de Canigó zijn betoverd, en wie ze wakker schudt, wekt het onweer. In dezelfde traditie verzamelen de heksen zich op de Tretzevents, de zuidelijke top, en roepen zij de hagel op door driemaal met een stok op het meer van Calandrà te slaan.
2 De graaf die zijn eigen graf uithieuw
Veel lager, op een rotsrichel boven Casteil, ligt de abdij Saint-Martin-du-Canigou. Zij werd in het begin van de elfde eeuw gebouwd door Guifré II, graaf van Cerdanya en Conflent en achterkleinzoon van Guifré de Harige, met hulp van zijn jongere broer Oliba, benedictijn van Sant Miquel de Cuixà. De eerste wijding van de kerk viel op 10 november 1009. Het is een van de vroegste proeven van de zuidelijke romaanse kunst: twee kerken boven elkaar, want de richel bood geen ruimte om in de breedte te bouwen.
In 1035 maakte de graaf zijn testament, verdeelde zijn graafschappen onder zijn zonen en trok zich in zijn eigen stichting terug als gewoon monnik. Hij liet een graf uithouwen in de rots van de Canigó — met eigen handen, zegt de overlevering — en wachtte. Hij wachtte veertien jaar. Op 31 juli 1049 stierf hij, en men legde hem in de kuil die hij zelf had gemaakt. Die kuil is er nog; men wijst hem de bezoekers aan.
Daarna ging het bergaf. De aardbeving van 1428 sloeg de bovenste verdieping van de klokkentoren weg. In 1783 vertrokken de laatste vijf monniken, oud en zonder middelen. De dorpen beneden droegen de stenen weg, de marmeren kapitelen van het pandhof verdwenen in particuliere huizen. Pas in 1902 kocht Mgr Jules de Carsalade du Pont, bijgenaamd de bisschop van de Catalanen, de ruïne terug en begon aan het herstel. Vanaf 1952 zette dom Bernard de Chabannes het werk voort; sinds 1988 woont er de Gemeenschap van de Zaligsprekingen. Er loopt geen weg naartoe: men klimt te voet vanuit Casteil, tweehonderdvijftig meter omhoog.
3 Het vuur dat van de top komt
Waarom een berg zoveel gewicht kan dragen, is aan de Canigó goed te zien. Hij staat geen vijftig kilometer van zee, en omdat er tussen hem en de vlakte van de Roussillon niets staat, lijkt hij veel hoger dan hij is. Van de kust af ziet men hem liggen; tweemaal per jaar wordt hij bij helder weer door lichtbreking zelfs vanuit de Provence gezien, meer dan tweehonderdvijftig kilometer ver. Van boven af kijkt men over de Roussillon, de zee, de Empordà, en op de beste dagen tot Barcelona.
De dichter Jacint Verdaguer maakte de berg in 1886 met zijn epos «Canigó» tot zinnebeeld van heel Catalonië. En sinds 1955 gebeurt er in de nacht van 22 op 23 juni iets dat niemand had voorzien. Op de top wordt een vuur ontstoken van takkenbossen die de mensen van beneden zelf naar boven hebben gedragen, elk bundeltje met een lint waarop de naam van zijn dorp staat. Bij het eerste licht dalen de dragers af met de vlam.
Vanaf 1963 ging het vuur Noord-Catalonië rond; in 1966 stak het voor het eerst de staatsgrens over en bereikte het Vic. Vandaag ontsteekt de vlam naar schatting drieduizend Sint-Jansvuren in meer dan driehonderdvijftig gemeenten aan beide zijden van de grens; het jaar door brandt zij in het Castellet van Perpignan. In 2012 kreeg het massief het label Grand Site de France — onder zijn Catalaanse naam.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


