De stemmen van Domrémy
Domrémy-la-Pucelle is een klein boerendorp in de Vogezen, aan de bovenloop van de Maas, op de oude grens tussen het hertogdom Bar en het koninkrijk Frankrijk. Hier werd omstreeks 1412 Jeanne d’Arc geboren, in een laag stenen huis dat pal naast de dorpskerk nog altijd overeind staat. Wat haar wereldberoemd zou maken begon niet op een slagveld, maar in de moestuin van haar vader — en de rechters die haar veroordeelden waren vooral geïnteresseerd in een oude beuk boven het dorp.
1 De stem in de tuin van haar vader
Jacques d’Arc was een boer met wat land en wat vee, en een van de notabelen van het dorp. Zijn huis stond — en staat — op enkele passen van de kerk van Saint-Remy. Domrémy telde een handvol families, wat akkers, een kerkhof en een oversteek over de Maas. Het lag ongelukkig: op de grens tussen twee partijen in de oorlog van Armagnacs en Bourgondiërs, zodat rondtrekkende benden het dorp meer dan eens leegroofden en de inwoners naar het versterkte Neufchâteau moesten vluchten.
Wat er op een zomerdag rond 1425 gebeurde, weten wij niet uit de overlevering maar uit haar eigen mond, genotuleerd te Rouen op 22 februari 1431. Zij was ongeveer dertien, zei ze, toen zij voor het eerst een stem hoorde. Het was midden op de dag, in de zomer, in de tuin van haar vader; zij had de dag ervoor niet gevast. De stem kwam van haar rechterhand, uit de richting van de kerk, en zelden hoorde zij hem zonder dat er een licht bij was, van dezelfde kant, meestal een groot licht. De eerste keer, verklaarde zij, was zij erg bang.
Pas verderop in datzelfde proces noemde zij namen: de aartsengel Michaël, en daarna de heilige Catharina van Alexandrië en de heilige Margaretha. Het dorp wijst vandaag een precieze plek aan waar het zou zijn gebeurd; de bewaarde akten doen dat niet. Daar staat alleen: in de tuin van mijn vader.
2 De boom van de dames
Boven Domrémy helt het land op naar een bos dat de dorpelingen het Bois Chenu noemden. Aan de rand daarvan stond een grote boom die iedereen kende. De ene helft van het dorp noemde hem l’Arbre des Dames, de boom van de dames; de andere helft l’Arbre des Fées, de feeënboom. Hij hoorde bij het land van de heren van Bourlémont, en vlakbij ontsprong een bron.
Jeanne heeft die boom zelf beschreven, ook weer voor haar rechters: een mooie boom, zei ze, een beuk. Bij de bron kwamen zieken met koorts drinken en water halen om te genezen — naar zij gehoord had, voegde zij er voorzichtig aan toe. De meisjes van het dorp hingen bloemenkransen in de takken, en zij had dat met haar speelkameraadjes ook gedaan. In het voorjaar aten, zongen en dansten de kinderen er onder de kruin.
De rest is dorpsoverlevering, en zij zei dat ook zo. Er werd verteld dat er onder de boom feeën dansten; een van haar peettantes beweerde dat zij ze daar gezien had. Of dat waar was, wist zij niet, verklaarde Jeanne. Zelf had zij er nooit een gezien, voor zover zij wist.
3 Wat de rechters in Rouen wilden horen
In het voorjaar van 1431 stond Jeanne te Rouen terecht voor een kerkelijke rechtbank onder bisschop Pierre Cauchon. Wie de bewaarde akten leest, valt op hoe vaak en hoe uitvoerig die rechters terugkwamen op juist die boom en die bron. Nieuwsgierigheid was dat niet. Zij zochten voor haar stemmen een verklaring die niet uit de hemel kwam: heidense feeënverering, toverij, een boom waar kwade geesten woonden. In de aanklacht heet de beuk letterlijk de betoverde feeënboom van Bourlémont.
Zij ging er niet in mee. Haar antwoorden zijn nuchter tot op het saaie af: zij speelde en zong daar met de andere kinderen, zij hing er kransen, zij wist niet of feeën bestonden, zij had er nooit een gezien. En sinds zij wist dat zij naar Frankrijk moest, zei ze, had zij zich zo weinig mogelijk met die spelletjes ingelaten. Van een beuk met bloemenkransen viel geen heks te maken; veroordeeld werd zij uiteindelijk op heel andere punten.
Een kwart eeuw later, tijdens het herzieningsproces van 1455-1456, kwamen commissarissen naar Domrémy zelf en lieten de buren onder ede vertellen over het kind dat zij gekend hadden — en opnieuw over die boom. De oude beuk is allang verdwenen. Het geboortehuis niet: het staat er nog, sinds 1840 beschermd monument, en is te bezoeken als museum met het onthaalcentrum Visages de Jehanne. Boven het dorp, op de helling van het Bois Chenu, verrees tussen de eerste steen van 1881 en de wijding van 1926 de grote basiliek Sainte-Jeanne-d’Arc.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


