De Pfifferdaj van Ribeauvillé
Op de eerste zondag van september is de Grand’Rue van Ribeauvillé niet te belopen. Zo’n vijftienhonderd mensen in middeleeuws kostuum schuiven door het stadje, met praalwagens, vaandels en vooral muziek: doedelzakken, trommels, draailieren en fluiten. Het heet Pfifferdaj, in het Elzasser dialect de dag van de pijpers, en het geldt als het oudste feest van de Elzas. Als de stoet voorbij is, loopt er wijn uit de fontein op de Place de l’Hôtel de Ville, gratis, voor wie een glas ophoudt. Waarom uitgerekend hier de speellieden van een hele landstreek bijeenkwamen, daarvoor heeft Ribeauvillé een verhaal.
1 De fluitspeler langs de weg
Het verhaal is kort. Een arme rondtrekkende speelman was op weg naar Ribeauvillé, en onderweg brak zijn instrument. In de ene lezing valt zijn fluit stuk, in de andere breekt het wiel van zijn karretje. Hij ging aan de kant van de weg zitten en huilde, want zonder instrument was er geen brood. Zo vond de heer van Ribeaupierre hem, die daar toevallig voorbijreed; in sommige versies is het niet de heer maar zijn vrouw.
De edelman hield stil en vroeg wat er scheelde. Toen hij het hoorde, gaf hij de man geld voor een nieuw instrument en nodigde hem uit die avond op de burcht te komen spelen. Op mijn land wordt niet gehuild, zou hij gezegd hebben. En de muzikanten van de streek, die tot niemand behoorden en met bedelaars en landlopers over één kam werden geschoren, kozen daarop de heren van Ribeaupierre tot hun beschermheer en riepen hen uit tot hun koning.
Eerlijk is eerlijk: geen middeleeuws stuk vertelt deze anekdote. Ze werd pas in de negentiende eeuw opgeschreven, in versies die elkaar tegenspreken. Wat er wel is, is een archief: de broederschap bestond echt, had statuten, kasboeken en een rechtbank, en werd vier eeuwen lang bestuurd. De fluitspeler is de latere volksverklaring voor een heel zakelijke instelling.
2 De broederschap en de Pfeiferkönig
Het oudste harde spoor dateert van 1400. In dat jaar stelt graaf Schmassmann van Ribeaupierre een zekere Henselin aan tot koning over de rondtrekkende muzikanten van de Elzas. Het gebied liep van de kam van de Vogezen tot aan de Rijn, en wie daarbinnen tegen betaling wilde spelen, moest lid zijn. De statuten zijn bewaard in een versie van 16 maart 1606: een kandidaat moest wettig geboren zijn, het vak bij een meester geleerd hebben, en droeg een zilveren medaille met de beeltenis van Onze-Lieve-Vrouw van Dusenbach op zijn kleed.
Eenmaal per jaar werd bijdrage betaald, in geld en in natura: een kip en een hoeveelheid haver. En elk jaar op 8 september, het feest van Maria-Geboorte, kwam de hele broederschap naar Ribeauvillé. Men trok het zijdal in naar de kapel van Notre-Dame de Dusenbach voor de mis, medailles op de borst, en daalde daarna af naar het stadje. Daar hield de koning zitting: geschillen over speelgebieden en tarieven, toelating van leerlingen, boeten voor wie buiten de regels had gespeeld. Daarna werd er gespeeld, de rest van de dag.
De koning was er zelf een van hen, benoemd door de heer; in 1690 bekleedde Hans Adam Beysser, van beroep leerlooier, het ambt. In de achttiende eeuw liep de macht van de broederschap leeg: regimentsmuzikanten en stadsorkesten namen het werk over. De laatste Pfeifertag voor de Revolutie viel in 1788, en in 1791 werd het gilde met alle andere corporaties opgeheven.
3 Drie burchten, een bron en de wijn
Boven het stadje staan drie ruïnes op dezelfde rug: Saint-Ulrich met zijn ridderzaal, het smalle Girsberg ernaast en hoger nog de donjon van Haut-Ribeaupierre, beschermd sinds 1841 en 1930. De heren die er zaten, vanaf ongeveer 1185 aantoonbaar in de streek, bouwden een gebied op dat van de Vogezenkam tot in de vlakte reikte; zij bleven luthers en later calvinistisch, werden na 1648 leenman van de Franse koning en verdwenen met de Revolutie.
Het bedevaartsoord van de broederschap ligt een halfuur lopen het dal in. Notre-Dame de Dusenbach zou in 1221 zijn gesticht door Egenolf van Ribeaupierre, terug van de vijfde kruistocht, die een Mariabeeld aan een kluizenaar schonk. Na de verwoesting door de Armagnaken werd het geheel in 1370 herbouwd, en vanaf 1484 maakte Maximin II er een klein Jeruzalem van, met een Olijfhof in steen en een houten pietà. In 1794 ging alles tegen de vlakte; het bisdom kocht de ruïne in 1893 terug, en sinds 1904 beheren kapucijnen de plek.
Beneden gaat het om wijn. Ribeauvillé ligt midden op de Elzasser wijnroute, met de grands crus Kirchberg, Geisberg en Osterberg op de hellingen boven de daken, riesling voorop. In 2019 werd de Pfifferdaj als de zeshonderdnegenentwintigste geteld, wat terugrekent tot 1390. Wie op de eerste zondag van september bij de fontein zijn glas ophoudt, drinkt dus op een fluitspeler die zijn instrument brak, en op een broederschap die vier eeuwen lang haar boeken bijhield.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


