Shield
Arras, Hauts-de-France / Pas-de-Calais

De Heilige Kaars van Atrecht en de twee speellieden

Tier 0+ - Publiek 4 min Legende
Flag
Advertentie
OthalaOthalaHandgebouwde websites die je zelf bezit

Atrecht ligt op krijtgrond tussen de Scarpe en het beekje de Crinchon, en het was eeuwenlang een van de rijkste steden van het noorden. Laken en wandtapijten uit Atrecht gingen tot in Italië, waar men ze eenvoudigweg arazzi noemde. Maar in het voorjaar van 1105 ging er iets anders rond in de stad: een brandende pijn in armen en benen, die de mensen het vuur noemden. Wat er toen gebeurde, vertellen de Atrechtenaren nog altijd.

HW HW

1 Het vuur in de rogge

Het kwaad heette het mal des ardents, het kwaad der brandenden, en het droeg vele namen: heilig vuur, sint-antoniusvuur, hellevuur. Wie het kreeg, voelde zich van binnenuit verteerd. Handen en voeten werden zwart en koud, er kwamen stuipen, en velen stierven. De overlevering meldt dat er in Atrecht honderdvierenveertig zieken lagen en dat heel Artesië getroffen was.

Vandaag weten we waar dat vuur vandaan kwam. Op de rogge groeit een schimmel, het moederkoren, dat kleine zwarte hoorntjes vormt tussen de korrels. Vermalen tot meel valt dat poeder nauwelijks op in donker roggebrood. De stoffen erin vernauwen de bloedvaten en verwoesten de zenuwen; sinds de negentiende eeuw noemen artsen die vergiftiging ergotisme. Ze sloeg vooral toe aan het einde van de lente, wanneer de laatste wintervoorraad graan werd opgegeten — precies het seizoen waarin dit verhaal speelt.

In 1105 bestond dat woord nog niet. Men zag buren wegkwijnen zonder wonde en zonder oorzaak, en men zocht de verklaring waar men die toen zocht: bij de hemel. De bisschop van Atrecht heette Lambert, een man uit het graafschap Guines die pas sinds 1094 op de zetel zat, want de stad was nog maar net weer een eigen bisdom. Hij liet de zieken samenbrengen in de kathedraal Notre-Dame-en-Cité, in het bisschoppelijke deel van de stad.

2 De nacht van de twee speellieden

Hier begint de overlevering. In Atrecht woonden twee speellieden, Itier en Norman, jongleurs die zongen en speelden op bruiloften en markten. Zij haatten elkaar tot in het merg, want Norman had de broer van Itier gedood, en zulke veten duurden generaties.

In de Pinksternacht van 1105 — sommige lezingen noemen de nacht van 24 op 25 mei, andere de vroege ochtend van 28 mei — verscheen aan elk van hen, afzonderlijk, een vrouw in het wit. Zij droeg hun op naar de kathedraal te gaan en de bisschop te zoeken. Beiden dachten eerst dat de ander hen beetnam. Pas toen zij elkaar in het donkere schip tegenkwamen en dezelfde boodschap bleken te dragen, begrepen zij wie hun bezoekster was.

De Maagd verscheen een tweede maal, zo gaat het verhaal, met een brandende kaars in de hand. Zij droeg de twee mannen op zich eerst te verzoenen, want zonder verzoening zou zij niets geven. Er wordt verteld dat het lang duurde: de een deed een stap, de ander trok terug, en zo een halve nacht lang. Uiteindelijk reikten zij elkaar de hand. Toen kregen zij de kaars, en de opdracht om de was in water te laten druppelen en dat water aan de zieken te geven. Volgens de overlevering hield het vuur op. Bewezen is dat niet, en het wordt ook als verhaal verteld, niet als geneeswijze.

3 Het broederschap en de twee pleinen

Wat wél in de archieven staat, is het broederschap. De speellieden van Atrecht vormden rond de kaars een carité, een liefdadig gilde: la Carité de Notre-Dame-des-Ardents, ook bekend als het broederschap van de jongleurs en de poorters. De overlevering plaatst de stichting meteen na het wonder, onder bisschop Lambert; de geschreven bronnen zetten pas later in. Bewaard is een dodenboek dat de overleden leden noteert van 1194 tot 1361, met daarin de namen van de grootste dichters van de stad, onder wie Adam de la Halle.

De relikwie kreeg een dertiende-eeuws schrijn, geschonken door Mahaut van Portugal, en het broederschap bouwde er kapel na kapel omheen: eerst bij de Petit-Marchié naast het belfort, rond 1420 een nieuwe onder mayeur Jehan de Sacquespée, omstreeks 1650 een ronde. In 1791 werd de bouwvallige kapel gesloopt en viel het openbare eerbetoon stil. In de negentiende eeuw kwam het terug: bisschop Lequette liet tussen 1869 en 1876 de kerk Notre-Dame-des-Ardents optrekken, en op 21 mei 1876 ging het schrijn in stoet naar zijn nieuwe huis. Tussen Hemelvaart en Pinksteren wordt het er nog getoond.

Van dat alles ziet de bezoeker weinig. Hij ziet de Grand’Place en de Place des Héros, honderden Vlaamse voluutgevels boven galerijen op zuilen, en het belfort van vijfenzeventig meter. Die gevels zijn jonger dan ze lijken: na de Eerste Wereldoorlog moest bijna alles opnieuw. Architect Pierre Paquet bouwde ze tussen 1919 en 1934 weer op naar oude foto’s en tekeningen.

Bron: Atrechtse overlevering; Louis Cavrois, «Cartulaire de Notre-Dame-des-Ardents à Arras» (1876); Roger Berger, «Le nécrologe de la Confrérie des jongleurs et des bourgeois d’Arras, 1194-1361» (1963); Catherine Vincent in «Revue du Nord» 82 (2000).
Wist je dat? Het relikwieschrijn van de Heilige Kaars dateert uit de dertiende eeuw en werd geschonken door Mahaut van Portugal; het origineel wordt bewaard in de schatkamer van de kathedraal Notre-Dame-et-Saint-Vaast. In de kerk Saint-Nicolas-en-Cité, opgetrokken op de plek van de verdwenen middeleeuwse kathedraal, herinneren vier glasramen aan het verhaal. Het belfort van Atrecht is vijfenzeventig meter hoog, werd voltooid in 1554 en staat sinds 2005 op de werelderfgoedlijst van de Unesco, samen met tweeëntwintig andere belforten. De Grand’Place meet honderdvierentachtig bij zesennegentig meter en telt honderdvijfenvijftig huizen.
Heimweer Heimweer

Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard