Shield
Conques, Occitanie / Aveyron

Sainte Foy en de heilige roof van Conques

Tier 0+ - Publiek 4 min Legende
Flag
Advertentie
OthalaOthalaHandgebouwde websites die je zelf bezit

Diep in de Aveyron, waar de Dourdou zich door een nauwe kloof snijdt, ligt Conques: een handvol huizen tegen een steile helling rond een abdijkerk die veel te groot lijkt voor zo’n dorp. Dat die kerk daar staat, dankt Conques aan een twaalfjarig meisje dat rond het jaar 303 in Agen werd onthoofd — en aan een monnik die tien jaar van zijn leven besteedde aan het stelen van haar botten.

HW HW

1 Het meisje van Agen

In Aginnum, het Romeinse Agen aan de Garonne, werd rond 291 een meisje geboren. Zij heette Fides — Geloof — en in de taal van het zuiden werd dat Foy. Haar ouders offerden aan de goden van Rome, maar haar voedster was christen en liet haar in het geheim dopen. Toen keizer Diocletianus in 303 zijn edict tegen de christenen liet afkondigen, kwam de proconsul Dacianus naar Agen om de wet uit te voeren.

Foy was toen twaalf jaar. Dacianus beloofde haar rijkdom en een goed huwelijk als zij een handvol wierook op het altaar van Diana wilde strooien: een klein gebaar, en niemand hoefde te weten wat zij daarbij dacht. Zij weigerde. Volgens de oude passie legde men haar op een bronzen rooster boven gloeiende kolen, en toen zij ook toen niet toegaf, onthoofdde men haar met het zwaard. De overlevering vertelt dat een plotselinge regen de kolen doofde. Men begroef haar in Agen en bouwde een kerk over haar graf; daar lag zij vijf en een halve eeuw. Haar feestdag bleef 6 oktober.

2 Tien jaar geduld

Met Conques lag het anders. Het dal van de Dourdou is smal en gebogen als een schelp — concha, waar de naam vandaan zou komen. Een kluizenaar bouwde er in de achtste eeuw een cel; rond 795 stond er een benedictijnenklooster, begunstigd door Karel de Grote. Maar het bleef arm. Er liep geen weg langs en er was geen graf van betekenis. En zonder relieken kwamen er geen pelgrims, en zonder pelgrims kwam er geen brood.

De monniken kozen een oplossing die in de negende eeuw wel vaker werd gekozen. Een van hen — de overlevering noemt hem Ariviscus — reisde naar Agen en vroeg daar om opname in de gemeenschap. Hij bleef tien jaar. Hij zong de metten, at aan tafel mee, zweeg wanneer zwijgen moest, en werd zo vanzelfsprekend dat men hem ten slotte de sleutels van de schatkamer toevertrouwde. In een nacht van het jaar 866 opende hij de kist, nam het gebeente en verdween zuidwaarts de heuvels in.

Diefstal, zou men zeggen. Zo dacht de middeleeuwer daar niet over. Dit was een furta sacra, een heilige roof, en het bewijs lag in het slagen ervan: een heilige is niet machteloos. Had Foy niet naar Conques gewild, dan had zij het slot laten klemmen, het paard laten struikelen, de dief met blindheid geslagen. Dat niets daarvan gebeurde, betekende dat zij zelf had willen verhuizen. Agen protesteerde nog eeuwenlang; Conques antwoordde dat de heilige had gekozen.

3 Het gouden beeld en de verbroken ketenen

Rond het jaar 960 lieten de monniken een beeld maken om haar in te bewaren: de Majesté de Sainte Foy, een zittende gestalte op een kern van taxushout, overtrokken met bladgoud. Het hoofd is ouder dan de rest — een hergebruikt laat-Romeins masker, met ogen die iets te hoog en iets te strak vooruit kijken. Eeuwenlang lieten pelgrims er stenen op achter die zij zelf hadden meegebracht: antieke cameeën en gesneden gemmen, bergkristal, amethist, lapis.

Rond 1013 kwam Bernard van Angers kijken, hoofd van de kathedraalschool daar en leerling van Fulbert van Chartres. Hij kwam met tegenzin: zulke beelden vond hij afgoderij, niet veel beter dan een Venus of een Diana op een sokkel, en hij zei dat hardop tegen een metgezel voor de Majesté zelf. Wat hij vervolgens in Conques hoorde en zag, deed hem zijn oordeel intrekken. Hij ging naar huis en schreef het «Liber miraculorum sancte Fidis», waarin hij zijn eigen spot woordelijk opneemt en herroept.

Foy hielp vooral aan ogen: het oudste opgetekende wonder, uit 983, betreft Guibert, wie de ogen waren uitgerukt en die ze terugkreeg — men noemde hem sindsdien de Verlichte. En zij bevrijdde gevangenen. Wie loskwam, bracht zijn boeien naar Conques; de verbroken ketenen hingen bij honderden in de kerk, en volgens de overlevering zijn ze omgesmeed tot het smeedijzeren hek dat nog altijd het koor afsluit. De abdijkerk die er nu staat, werd vanaf de elfde eeuw gebouwd voor de stroom pelgrims van de Via Podiensis, de weg van Le Puy-en-Velay naar Compostela. Boven de westelijke deur zit het timpaan van het Laatste Oordeel: honderdvierentwintig figuren in geel kalksteen, drie registers boven elkaar, ooit volledig beschilderd. Wie de klim naar Conques maakt, loopt er onderdoor.

Bron: Bernard van Angers en anonieme voortzetters, «Liber miraculorum sancte Fidis» (ca. 1013-1050); «Passio sanctae Fidis»; «Chanson de sainte Foy» (Occitaans, 11de eeuw); abdijtraditie van Conques.
Wist je dat? De schatkamer van Conques bewaart de meest volledige verzameling Frans religieus edelsmeedwerk van de negende tot de zestiende eeuw, met daarin het zogenoemde «A van Karel de Grote», een reliekhouder in de vorm van de letter A. Bij de restauratie van 1954-1955 door Jean Taralon werd de Majesté uit elkaar genomen: onder het bladgoud zat een kern van taxushout, en men telde ongeveer drieëndertig antieke cameeën en eenendertig gesneden gemmen, grotendeels giften van pelgrims. Het beeld meet nauwelijks vijfentachtig centimeter. Sinds de gemeentefusie van 2016 heet het dorp officiëel Conques-en-Rouergue.
Heimweer Heimweer

Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard