Shield
Saintes-Maries-de-la-Mer, Provence-Alpes-Côte d’Azur / Bouches-du-Rhône

De heilige Maria’s en Sara-la-Kâli

Tier 0+ - Publiek 4 min Legende
Flag
Advertentie
OthalaOthalaHandgebouwde websites die je zelf bezit

Aan de rand van de Camargue, waar de Rhône zijn laatste slib in de Middellandse Zee legt, ligt een dorp van lage witte huizen rond één zwaar gebouw: een romaanse kerk met kantelen, schietgaten en een waterput binnen de muren. Saintes-Maries-de-la-Mer heet die plaats pas sinds 1838. Daarvoor stond ze op de kaarten als Notre-Dame-de-la-Mer, en nog eerder als Notre-Dame-de-Ratis, Onze-Lieve-Vrouw van de Boot. Die oudste naam verraadt meteen het verhaal dat het dorp met zich meedraagt: een boot die aanspoelde, en de vrouwen die eruit stapten.

HW HW

1 De boot zonder roer

Kort na de kruisiging, zo vertelt de Provençaalse overlevering, werd het leven in Judea onveilig voor wie bij Jezus had gehoord. Onder hen waren Maria Jacobé, in de traditie een zuster of verwante van de moeder van Jezus, en Maria Salomé, de moeder van de apostelen Jakobus en Johannes. Volgens sommige versies zaten ook Maria Magdalena, Lazarus en Martha in het gezelschap. Hun tegenstanders wilden geen bloed aan hun handen en kozen een omweg: ze zetten de groep in een boot zonder roer, zonder zeil en zonder proviand, en duwden die het open water op.

De zee zou het werk doen. De zee deed het niet. Dagenlang dreef de boot met wind en stroming mee, tot de kiel ergens in de vlakke monding van de Petit-Rhône in het zand liep. De opvarenden stapten aan land in een landschap van zout, riet en flamingo’s. Daar gingen ze uit elkaar: Lazarus trok naar Marseille, Martha stroomopwaarts naar Tarascon, Maria Magdalena de heuvels in — en de twee overgebleven Maria’s bleven aan de kust waar de boot was gestrand.

2 Sara op het strand

In de boot, of op het strand — daarover lopen de versies uiteen — was er nog iemand: Sara, donker van huid, in het Romani Sara e Kâli, Sara de Zwarte. De kerkelijke overlevering noemt haar de dienares of de metgezellin van de twee Maria’s. In de verhalen die onder Roma worden doorgegeven is ze geen dienares, maar een vrouw van de Camargue zelf, die de boot zag naderen, haar mantel over de golven uitspreidde en de vrouwen daarover tegemoet liep. Een derde versie draait het om: Maria Salomé wierp haar mantel op het water zodat Sara hen kon bereiken.

Wat alle versies delen is wat er daarna gebeurde. De vrouwen bleven, bouwden een eenvoudige bidplaats van riet en leem op de plek waar nu de kerk staat, en werden er begraven. Het gebouw dat er vandaag boven staat is grotendeels twaalfde-eeuws en lijkt eerder een burcht dan een godshuis: kantelen, een weergang, een klokkengevel die als uitkijkpost diende, en een zoetwaterput binnen de muren.

De gedocumenteerde geschiedenis begint in 1448. Koning René van Anjou, graaf van Provence, kreeg van paus Nicolaas V toestemming om onder het koor te laten graven. In augustus begonnen de werken, geleid door Jean d’Arlatan uit Arles. Men stuitte op een oudere ruimte met as, houtskool en scherven, en op twee skeletten met gekruiste handen. Op 2 december werden de beenderen erkend, twee dagen later gingen ze in cypressenhouten schrijnen naar de kapel boven het koor. Wat er is opgegraven staat in de akten. Wie er lag, staat er niet.

3 Vierentwintig en vijfentwintig mei

Elk jaar op 24 en 25 mei komen duizenden Roma, Sinti, Manouches en Gitanos uit heel Europa naar het dorp. Op de eerste dag worden de schrijnen aan touwen uit de hoge kapel neergelaten en wordt het beeld van Sara uit de crypte gedragen, door de straten naar het strand. Gardians te paard, de veehoeders van de Camargue, begeleiden haar tot in de branding, tot het water aan de buik van de paarden staat. Op 25 mei volgt de boot met de beide Maria’s dezelfde weg.

De bedevaart naar de Maria’s is middeleeuws; die naar Sara is jonger en beter te dateren. Sara duikt pas in 1521 op in een geschreven bron, in de legendetekst van Vincent Philippon. Roma-pelgrims ter plaatse worden voor het eerst beschreven in 1852, en Frédéric Mistral noteerde in 1855 dat zij de grootste kaarsen voor Sara’s altaar lieten branden. De processie van Sara naar zee kreeg haar huidige vorm pas in 1935, mede op initiatief van markies Folco de Baroncelli. Rome heeft Sara nooit heilig verklaard; onder Roma is zij al veel langer de patrones.

Wie buiten mei de crypte binnenstapt, ziet waarom dat weinig uitmaakt. Het beeld staat er onder een berg mantels, tussen wanden vol ex-voto’s en een muur van kaarsen die het hele jaar door wordt aangevuld. Dit is geen folklore voor bezoekers, maar een levende religieuze traditie met een eigen kalender en een eigen geheugen.

Bron: Provençaalse overlevering; Jacobus de Voragine, «Legenda aurea» (ca. 1260); Vincent Philippon, «La légende des Saintes-Maries» (1521); akten van de opgraving van 1448.
Wist je dat? Het beeld van Sara in de crypte draagt tientallen mantels over elkaar: pelgrims hangen er een nieuwe om als dank of als belofte, en pas als de stapel te zwaar wordt haalt men de onderste weg. Vincent van Gogh logeerde in juni 1888 een kleine week in het dorp en maakte er tekeningen en schilderijen van de vissersboten op het strand. En de zoetwaterput in de kerk was geen luxe: het dorp lag onbeschermd aan zee en moest bij een aanval de kerk in kunnen vluchten.
Heimweer Heimweer

Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard