Shield
Aubusson, Nouvelle-Aquitaine / Creuse

De Saracenen van Aubusson en de getouwen aan de Creuse

Tier 0+ - Publiek 4 min Volksverhaal
Flag
Advertentie
OthalaOthalaHandgebouwde websites die je zelf bezit

Aubusson ligt in een nauw dal in de Creuse, waar granieten hellingen zo dicht op elkaar staan dat de zon er laat komt en vroeg weer weg is. Onderaan, in de wijk la Terrade, staan de oude ateliers met hun brede vensters vlak bij het water. Daar hebben wevers eeuwenlang wollen tuinen gemaakt die nooit verwelken. Vraag in deze streek waar dat weven vandaan komt, en men antwoordt zelden met een archiefstuk. Men antwoordt met de Saracenen.

HW HW

1 De mannen die na Poitiers bleven

Het verhaal dat men in de Creuse doorgeeft, begint niet aan een weefgetouw maar op een slagveld. In het jaar 732 werd bij Poitiers het leger van de Saracenen door Karel Martel tot staan gebracht. Wie de slag overleefde, trok terug naar het zuiden — behalve, zegt de overlevering, een handvol mannen dat in de bossen van de Marche de weg kwijtraakte en pas halt hield toen het water van de Creuse hun de doortocht versperde.

Daar, in dat nauwe dal, zouden zij gebleven zijn. Ze trouwden met de dochters van het land, leerden de taal en vergaten hun eigen gebeden, maar één ding gaven zij niet op: het weefgetouw. In de vertelling spannen zij hun draden liggend, zoals ze het van thuis kenden, en tonen zij de herders van de streek hoe uit de wol van hun eigen schapen een tuin kan groeien die nooit verwelkt.

De verteller heeft er altijd een bewijsstuk bij. Eeuwenlang heette een bepaald soort tapijt uit Aubusson namelijk «tapis sarrasinois», saraceens tapijt, en die twee woorden zijn genoeg geweest om een hele stad een stamboom te geven. In de lage ateliers aan de rivier, waar het licht schuin binnenviel en het water altijd hoorbaar bleef, klonk dat volkomen vanzelfsprekend.

2 Wat de papieren werkelijk zeggen

En toch houdt het verhaal geen stand. Tussen de slag bij Poitiers en het eerste blad papier waarop in deze streek een wever wordt genoemd, liggen meer dan zeven eeuwen. De oudste opgetekende vermeldingen komen niet eens uit Aubusson zelf, maar uit Felletin, een stadje hogerop in hetzelfde dal, waar de namen van Jacques Bonnyn (1457) en Jean Béraigne (1473) opduiken. In Aubusson zijn de vroegst bekende wandtapijten geweven door de broers André en Jehan Augeraing, omstreeks 1501.

Historici zijn daar nuchter over. De geleerde André Lecler schreef in 1902 in zijn woordenboek van de Creuse dat wie de oorsprong van Aubusson toeschrijft aan een troep Saracenen die in 732 aan Karel Martel ontsnapten, een roman maakt en geen geschiedenis; het was, merkte hij op, juist de uitdrukking tapis sarrasinois die de legende had voortgebracht. Oudere auteurs als Adolphe Blanqui beriepen zich in 1827 nog op reglementen van het Châtelet die de Saracenen erkenden als de oudsten van het tapissiersgilde — maar dat zegt iets over een gilde in Parijs, niet over de Creuse.

De rustige verklaring wijst naar het noorden. Louis I van Bourbon, graaf van de Marche, bevestigde in 1331 de privileges van Aubusson en was in 1310 getrouwd met Maria van Henegouwen; via die weg vonden Vlaamse wevers de oevers van de Creuse. De techniek van de basse lisse is Vlaams, en de wevers vereerden dezelfde patrones, de heilige Barbara. Wat aan de legende wel klopt, is het water: men roemde de zure, kalkarme Creuse omdat ze de wol ontvette en de kleuren beter deed pakken.

3 Van manufacture royale tot Jean Lurçat

Wat de wevers daarna overkwam, is veel beter opgetekend dan hun begin. In 1665 gaf een koninklijk edict onder Lodewijk XIV aan de bestaande particuliere ateliers de titel manufacture royale. Een nieuw edict van 1732 stuurde er een schilder voor de kartons bij, een verver en een sorteerder van wol en zijde, en legde tot in de zelfkant vast hoe het werk eruit moest zien.

Daarna kwam de terugslag. Aubusson had een grote protestantse gemeente, en na de herroeping van het Edict van Nantes in 1685 verlieten meesterwevers de stad; families als de Mercier en de Barraband kwamen in Brandenburg terecht. De negentiende eeuw bracht wel welvaart maar weinig eigenheid: men ging schilderijen namaken in wol, met vervagende verten en eindeloze kleurovergangen. Tussen de twee wereldoorlogen leek het ambacht op sterven na dood.

De ommekeer kwam van een schilder. In 1937 ontmoetten Élie Maingonnat en François Tabard op de wereldtentoonstelling in Parijs Jean Lurçat, en nog diezelfde zomer stond hij in Aubusson, waar hem het fantastische bestiarium van Anglards-de-Salers werd getoond, omstreeks 1586 in de streek geweven. Lurçat snoeide het palet terug, werkte met genummerde kartons en gaf het getouw zijn eigen taal terug; de wederopleving dateert men doorgaans van zijn komst in 1939. Na een nieuwe crisis rond de jaren tachtig kwam er erkenning: in 2009 nam UNESCO «La tapisserie d’Aubusson» op in de representatieve lijst van het immaterieel cultureel erfgoed van de mensheid. Sinds 2016 vertelt de Cité internationale de la tapisserie het hele verhaal in de stad zelf.

Bron: Streekoverlevering uit de Marche; André Lecler, «Dictionnaire topographique, archéologique et historique de la Creuse» (1902); Adolphe Blanqui (1827); UNESCO-inschrijving (2009).
Wist je dat? Het edict van 1732 ging tot in de details: de zelfkanten van een Aubussons wandtapijt hoorden blauw te zijn en het merk van de maker moest worden ingeweven na het woord Aubusson. Lang niet alle ateliers hielden zich eraan; velen zetten liever hun titel van manufacture royale in de rand. Werk uit Aubusson en Felletin hangt vandaag in de kathedraal van Coventry, in het operahuis van Sydney, in het hoofdkwartier van UNESCO in Parijs en in het Kremlin, en het hing ook aan boord van het passagiersschip France. De Cité internationale de la tapisserie opende in 2016 in de oude gebouwen van de kunstnijverheidsschool en nam de verzameling over van het departementale museum uit 1982. Er worden nieuwe reeksen geweven naar de werelden van J.R.R. Tolkien en Hayao Miyazaki.
Heimweer Heimweer

Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard