De auvermannetjes van Doenrade
Op het Plateau van Doenrade, waar Zuid-Limburg zich in lange golven naar de Duitse grens plooit, ligt het dorp Doenrade, in het Limburgs Doonder genoemd. Het is een dorp van akkers en holle wegen, met ruim duizend inwoners, gegroeid langs een oude handelsweg die vanuit het oosten over de hoogte naar Maastricht liep. Aan de zuidrand staat een wit kasteel tussen het groen. En onder dat rustige landschap leeft een oud geloof: dat hier ooit de auvermannetjes woonden, het kleine volk van de aarde, dat men beter met rust kon laten. Over een boerenknecht die dat niet deed, gaat dit verhaal.
1 Doenrade op de hoogte
Doenrade is oud. De naam duikt op als Dudenrode in een akte uit 1170, en in de grond zijn scherven uit de Frankische tijd gevonden; het gebied was toen al lang bewoond. De dorpskern ontstond langs de weg die vanuit Duitsland over het plateau naar Maastricht voerde, een route van kooplieden en karren. Het Plateau van Doenrade klimt tot honderdtwaalf meter boven zeeniveau, het dorp zelf ligt op ongeveer honderdvijf meter, en rondom golft het heuvelland dat het zuiden van Limburg zijn gezicht geeft: akkers, graften, holle wegen en boomgaarden.
Aan de zuidkant van het dorp staat kasteel Doenrade. Het huidige, witgepleisterde huis is sinds de zestiende eeuw ontstaan op de plek van een ouder gebouw, en wordt tot de oudste kastelen van de streek gerekend. Het werd bewoond door adellijke geslachten, eerst de familie Dobbelstein tot Doenraedt omstreeks 1300, later de Van Brempt tot Doenrade, die het tot ongeveer 1700 in bezit hielden. In de volksmond heet het kasteel het Doonderhuuske. Het diende later als klooster, van 1960 tot 1969 als politieschool, en sinds 1993 als hotel en restaurant. Het is de stille getuige waaromheen Doenrade zijn verhalen bewaart.
2 De pap met het schoenleer
Het verhaal speelt in de tijd dat men op de hoeven rondom Doenrade nog in de auvermannetjes geloofde, de aardmannetjes die ’s nachts uit de grond kwamen. Men was gewend hun af en toe iets voor te zetten, want wie goed was voor het kleine volk, kreeg er zelden spijt van. Op een van de boerderijen onder Oirsbeek, waartoe Doenrade behoorde, werkte een knecht die met dat alles de spot dreef.
Op een avond maakte hij rijstepap voor de auvermannetjes klaar. Maar in plaats van er brokken peperkoek in te doen, zoals het hoorde, sneed hij stukken van oude, versleten schoenlappen en roerde die door de pot. Toen de pap klaarstond, klom hij naar de zolder en ging boven het dampgat liggen, het gat waardoor de warmte en de damp uit de keuken opstegen, om het maal van de dwergen ongezien af te loeren.
Beneden begonnen de auvermannetjes te eten. “Maar,” zei er een, “wat zijn de brokken hard!” Een ander begreep het meteen. “Wel,” zei hij, “dat is een poets van de knecht. En kijk, men bespiedt ons. Ga, vriend, en blaas die baas daarboven het licht eens uit.” De volgende dag had de malle knecht een oog verloren. Zo werd hij gestraft, niet alleen omdat hij het kleine volk met schoenleer had bespot, maar ook omdat hij het heimelijk had beloerd.
3 Het kleine volk en zijn straf
Het verhaal werd opgetekend door de Limburgse onderwijzer en volkskundige H. Welters, die het in 1876 uitgaf in zijn bundel Limburgsche legenden, sagen, sprookjes, en volksverhalen, in het hoofdstuk over de aardmannetjes in Limburg. Onder de tekst staan enkel de initialen van de verteller. Het is een korte, scherpe sage, en ze zegt in weinig woorden wat het kleine volk van de mensen verwachtte: geen eerbetoon, maar fatsoen. Wie hun eten voorzette, deed dat eerlijk, en wie hen bespiedde, brak een ongeschreven wet.
Overal in Limburg vertelde men zulke verhalen. De auvermannetjes leenden ’s nachts potten en pannen en brachten ze geschuurd terug; ze deden geen kwaad zolang men hen met rust liet en niet aankeek; en op veel plaatsen verdwenen ze toen de kerkklokken gingen luiden, want het klokgelui konden ze niet verdragen. De straf van de Doenraadse knecht past in dat beeld: het ongeluk trof hem juist in het oog, het lichaamsdeel waarmee hij de grens had overschreden.
Van dat oude geloof rest in Doenrade vandaag weinig zichtbaars. De Sint-Jozefkerk uit 1871 en 1872 staat midden in het dorp, het kasteel ontvangt zijn gasten, en over het plateau lopen wandelaars en fietsers langs de akkers. Maar wie ’s avonds over de hoogte gaat, waar de damp uit de weilanden opstijgt zoals ooit uit een dampgat, begrijpt waarom men hier lang geloofde dat de aarde meekeek, en dat men haar kleine bewoners maar beter met rust liet.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


