De Bokkenrijders van het Land van Overmaas
In de achttiende eeuw ging in het Land van Overmaas, rond Kerkrade en Herzogenrath, een schrik door de dorpen: de Bokkenrijders. Overdag waren het gewone knechten en wevers. ’s Nachts, zo fluisterde men, stegen zij op de rug van een bok de lucht in en plunderden afgelegen hoeven en kapellen.
1 De eed op de bok
Wie lid werd, zo ging het verhaal, moest bij nacht in een verlaten kapel God en de heiligen afzweren en trouw beloven aan de duivel. Als bezegeling kreeg hij een bok, zwart als roet, die op zijn woord door de lucht vloog. Zo konden de benden op één nacht in dorpen ver uiteen toeslaan, sneller dan een ruiter kon rijden. De boeren grendelden hun deuren met een kruis van gewijde palmtak, want tegen de bok, zei men, hielp enkel gewijd hout.
2 De processen
Achter de sage schuilt een harde geschiedenis. In de versnipperde landen tussen Maas en Rijn, waar geen sterk bestuur was, trokken echte roversbenden van hoeve tot hoeve. Toen de overheid toesloeg, gebeurde dat met de pijnbank: onder foltering bekenden verdachten alles wat men horen wilde, ook het vliegen en de duivelseed, en verrieden zij buren. Zo groeide het aantal «Bokkenrijders» tot in de honderden, en velen stierven onschuldig aan de galg. De streek hield er een dubbel verhaal aan over: dat van de vliegende rovers, en dat van de rechters die uit angst zelf monsters werden. In Kerkrade en omstreken leeft de naam voort in straten, cafenamen en optochten, half griezel, half trots.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


