Shield
Zuid-Holland, Zuid-Holland

De dankbare marskramer

Tier 0+ - Publiek 2 min Volksverhaal
Flag
Advertentie
OthalaOthalaHandgebouwde websites die je zelf bezit

Hendrik Jacobsz., marskramer uit Bodegraven, kreeg in 1789 als negenjarige bedelaarjongen van een Goudse weduwe Maartje van der Pol één zilveren ring met de woorden: «Loop jezelf op de been. Geef de ring terug als je weet wie je bent.» In 1822, drieendertig jaar later, kwam Hendrik — rijke marskramer met paard en wagen — bij Maartje (89) terug. Zij herkende de ring; hij gaf hem terug. Het verhaal eindigt met één witgele bloem.

HW HW

1 De ring

1789. Hendrik Jacobsz., 9 jaar, weeskind, bedelde op de Goudse markt om brood. Maartje van der Pol (56), weduwe, kinderloos, verkocht de overgebleven kledingstukken van haar man op de markt. Zij zag Hendrik. Hij was ondervoed, blootsvoets, eerlijk. Zij gaf hem geen brood, geen geld. Zij gaf hem één zilveren ring — haar man’s trouwring, in vier delen kapot — en zei: «Hendrik, deze ring is gebroken. Ik geef hem aan jou. Loop jezelf op de been. Geef de ring terug aan mij of een van mijn nabestaanden als je weet wie je bent. Niet voor je rijk geworden bent; voor je weet wie je bent.» Hendrik nam de ring, droeg hem altijd in zijn binnenzak.

2 De terugkeer

1822, drieendertig jaar later. Hendrik (42) reed met zijn marskramerwagen door Zuid-Holland; hij verkocht stoffen, garens, krenten, en spinnewielen. Hij was niet rijk maar hij was iemand. Hij wist wie hij was: een marskramer met één vrouw (Geertruida), drie kinderen, eigen wagen en eigen paard, eigen huisje in Bodegraven. Hij ging naar Gouda om de ring terug te geven. Maartje was 89, weduwe nog steeds, woonde bij haar achternicht. Zij herkende Hendrik niet, maar zij herkende de ring — vier delen zilver, kapot, met één woordverwisseling op de binnenkant: «CV-MvdP 1761». Hendrik gaf de ring terug en zei: «Mevrouw Van der Pol, ik weet wie ik ben. Ik ben Hendrik Jacobsz. Ik geef u uw ring terug. U heeft mij geleerd dat een gebroken ring een hele mens kan zijn.» Maartje pakte de ring, glimlachte, gaf hem aan haar achternicht: «Begraaf hem met mij. Ik heb mijn antwoord.» Maartje stierf vier weken later, op 17 mei 1822. Op haar graf werden vier zilveren ringdelen begraven. Hendrik kwam naar de begrafenis, legde één witgele bloem (madelief) op de kist, ging naar huis. De Goudse traditie zegt: «Een gebroken ring is geen geschenk; hij is een opdracht. Wie hem dertig jaar draagt en teruggeeft, heeft de opdracht volbracht. De ring blijft bij de gever; de dank gaat met de ontvanger mee.»

Bron: Goudse traditie 1789-1822; Sinninghe; Hollands volksverhaal-archief 1893.
Wist je dat? In het Goudse weduwenarchief staat «Maartje van der Pol, weduwe van Cornelis Vermeer, schonk in 1789 een zilveren ring aan bedelaarsjongen Hendrik Jacobsz., 9 jaar». De ring is in 1822 in haar boedel teruggekomen.
Heimweer Heimweer

Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard