Zoo breed als voor de Willemstad
Waar het Volkerak en het Hollandsch Diep elkaar ontmoeten ligt Willemstad, een klein stadje achter een grote wal. Wat het altijd het sterkst heeft bepaald is niet die wal, maar het water ervoor: breed, diep en onberekenbaar. Zo breed en zo diep dat er in de negentiende eeuw gezegden over rondgingen, die zijn opgetekend en bewaard gebleven. Wie wil begrijpen waarom dat water daar ligt, moet terug naar een nacht in november 1421 — en naar de meerminnen die de ondergang van een naburige stad hadden voorspeld, en die niemand geloofde.
1 Zoo breed niet als voor de Willemstad
In de Volksverhalenbank van het Meertens Instituut staat onder het nummer BLECOURTNB0653 een kort stuk Willemstadse overlevering. Geen spoken, geen schatten, geen duivel: twee gezegden. Het eerste luidt «’t Is daar zoo breed niet, als voor de Willemstad», en het duidt op bekrompen middelen. Het tweede luidt «Het zit er zoo diep niet, als voor de Willemstad», en dat duidt op bekrompen verstand.
Beide zinnen gaan terug op de predikant en volkskundige E. Laurillard, die ze omstreeks 1891 noteerde; Willem de Blécourt nam ze in 1980 over in zijn Volksverhalen uit Noord-Brabant, in de afdeling «Spot en venijn». Uit datzelfde hoofdstuk komt nog een derde, die het buurstadje erbij haalt: «Hij kijkt naar de Klundert, of de Willemstad in brand staat, hij ziet scheel.»
Het aardige aan de eerste twee is dat er geen spot in zit op de Willemstadters zelf. Zij nemen het water vóór de stad als maat voor alles wat ruim en diep hoort te zijn. Wie krap bij kas zat of kort van begrip was, kreeg te horen dat het bij hem niet zo breed en niet zo diep was als daarginds. Merkwaardige eer voor een stuk water dat pas bestond doordat er een hele landstreek in verdronken was.
2 Wat de meerminnen zongen
Tot in de vijftiende eeuw lag hier geen zeearm maar de Grote Waard, een uitgestrekt polderland tussen Maas en Merwede. Op of rond 19 november 1421, de naamdag van Sint-Elisabeth, brak bij een zware noordwesterstorm de dijk door in het zuidwesten van die waard. De bres kon niet worden gedicht; het getij vrat haar jaar na jaar groter, tot het zeegat de Merwede bereikte. Zo ontstond de brede getijrivier die sindsdien Hollandsch Diep heet.
Over die ramp is in West-Brabant een sage blijven leven, die J. R. W. Sinninghe in 1933 opnam in zijn Noord-Brabantsch Sagenboek onder de nummers 288 en 289. In het begin van de vijftiende eeuw, zo gaat het verhaal, verscheen er ieder jaar in januari een meermin in de haven van Zevenbergen, dat toen aan zee lag, en zij voorspelde dat de stad door een watervloed verzwolgen zou worden. Op de eerste dag van 1421 kwamen er twee, en die hebben vierentwintig uur lang gezongen: «Zevenbergen zal vergaan, maar Lobbekenstoren zal blijven bestaan.» De bewoners, die met goud en zilver omgingen alsof het louter koper was, lachten om de voorspelling.
In de tweede versie zet de meermin zich elke nacht op de toren van de Sint-Lobbekenskerk. Weer luistert niemand, en weer verzinkt alles behalve die ene toren; vissers die er later voorbijvoeren, hebben de gouden daken van de stad nog onder water zien blinken. Een derde optekening laat de meermin om een kom water vragen: Zevenbergen weigert, Steenbergen geeft een halve kom, Bergen op Zoom een volle, en zij profeteert dat Zevenbergen gansch zal vergaan, Steenbergen half, maar dat Bergen zal blijven staan.
3 De stad op de ruige hil
Zoals zo vaak klopt de sage niet en klopt hij toch. Zevenbergen verdronk niet: het werd in 1421 een eilandje, verloor al zijn polders en raakte in verval. De Lobbekenstoren hoorde bij het kasteel, dat pas in 1728 werd gesloopt; de naam leefde voort in het Lobbekenstorenslop en de aangrenzende Torenpolder. Ook Sinninghes getal van tweeenzeventig weggespoelde steden en dorpen is legendevorming: waterstaatshistorici houden het voor de Grote Waard tegenwoordig op hooguit enkele tientallen doden.
Uit het slib van diezelfde ramp kwam Willemstad voort. Op de gorzen ten zuiden van het nieuwe water groeide een ruige hil, een begroeide zandopduiking, die Jan IV van Glymes liet inpolderen; vanaf 1565 kreeg er het dorpje Ruigenhil gestalte. In 1583 gaf Willem van Oranje opdracht dat dorp te versterken «tot bewaernisse vande Brabantsche ende Hollandsche stroom». Ingenieur Abraham Andrieszn ontwierp een regelmatige zeshoek met vijf bastions; pas in 1598 kwamen er aan de havenzijde twee bolwerken bij, en waren het er zeven. Omstreeks 1700 werden ze naar de Zeven Provinciën vernoemd.
Na de moord op Willem van Oranje in 1584 ging het dorp Willemstad heten. Zijn zoon Maurits verleende het in 1585 stadsrechten en betaalde mee aan een kerk, mits die in «ronde ofte achtcantige forme» werd gebouwd: de Koepelkerk, opgetrokken tussen 1597 en 1607, de eerste kerk in Nederland die voor de protestantse eredienst is gebouwd. In 1623 liet hij er de Princehof neerzetten, sinds 1973 het Mauritshuis geheten. En in maart 1793 bewees het water vóór de stad zijn nut: een Frans leger onder generaal Dumouriez beschoot Willemstad vanaf 1 maart, soms uit zes batterijen tegelijk, tot het zich op de ochtend van 16 maart weer terugtrok. Zo breed en zo diep was het daar.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


