Het heilig bruurke van Megen
Megen ligt op een landtong waar de Maas ooit aan drie zijden om het stadje heen boog. Wie er binnenkomt, passeert de Gevangenpoort, het laatste stuk van een veertiende-eeuwse ommuring, en loopt daarna over kinderkopjes langs twee kloosters die er alleen staan omdat dit stadje eeuwenlang geen Nederland was. Megen was de hoofdplaats van een eigen graafschap, katholiek gebleven tussen protestantse gewesten, en juist daarom werd het een plaats van toevlucht en van wonderverhalen. Het jongste van die verhalen is nog geen eeuw oud en heet: het heilig bruurke.
1 De vrijstad aan de Maas
Megen wordt als Meginum voor het eerst genoemd in 721. Het graafschap zelf duikt pas in 1145 op, in een oorkonde waarin graaf Alardus van Megen als getuige optreedt. Op 8 januari 1357 schonk graaf Willem III het stadje stadsrechten, en in 1386 liet Jan van Megen er muren, torens en vier stadspoorten omheen leggen. Van dat alles rest nog één vierkante bakstenen toren met een zadeldak tussen trapgevels: de Gevangenpoort, in de jaren twintig van de vorige eeuw gerestaureerd.
Het stadje bleef klein. In 1437 telde het ruim zeshonderd inwoners, in 1805 negenhonderd. Het geweld van de zestiende eeuw ging er niet aan voorbij. Op driekoningen 1581 brandde het kasteel van de graven af, waar Spaanse soldaten waren ingekwartierd; een paar weken later staken Staatse troepen het stadje in brand, en op 25 juli van datzelfde jaar kwamen zij terug voor wat nog overeind stond. In datzelfde jaar werd de stadsmuur ontmanteld.
Toch was de eigenzinnige staatkundige positie van Megen zijn redding. Na de Vrede van Münster van 1648 procedeerde graaf Frans Albert van Croy jarenlang tegen de Staten-Generaal, die zijn graafschap bij de Republiek wilden rekenen. Hij won: op 30 november 1671 moest de Republiek erkennen dat Megen voor haar buitenland was. In het graafschap heerste godsdienstvrijheid, en dat maakte dit stadje aan de Maas tot een toevluchtsoord.
2 Het wonder op Portiunculadag
In 1645 kwamen de franciscanen. Zij waren na de Staatse verovering van ’s-Hertogenbosch uit die stad verdreven; pater Bonaventura van der Sande en twee medebroeders arriveerden op 29 mei 1645 in Megen. Het stadsbestuur hielp hen aan onderdak en aan een klooster, op voorwaarde dat zij een Latijnse school zouden stichten. In 1721 volgden de clarissen, weggejaagd uit Elisabethsdal bij Boxtel; hun klooster Sint-Josephsberg verrees op de plek waar in 1720 nog de ruïne van het grafelijke kasteel lag. Het is het oudste clarissenklooster dat Nederland nog heeft. Aan die twee kloosters dankt Megen zijn bijnaam: Assisi aan de Maas.
De paters richtten in Megen een broederschap op ter ere van Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Smarten. Paus Alexander VII verleende haar op 10 juli 1658 bijzondere aflaten, en de prins-bisschop van Luik gaf in 1659 verlof om viermaal per jaar openbare processies te houden — iets wat een uur verderop, in Staats-Brabant, ondenkbaar was.
Op 2 augustus 1708, Portiunculadag, gebeurde het verhaal dat men in Megen sindsdien navertelt. Anna Jans van Nikarke uit Amersfoort, meegetrokken met een honderdtal stadgenoten, genas in de paterskerk op wonderbaarlijke wijze van haar kreupelheid. Dat het uitgerekend op die omstreden franciscaanse aflaatdag gebeurde, maakte het wonder meteen tot een argument in de strijd tussen jansenisten en hun tegenstanders. Even buiten het stadje werd in 1732-1733 een kapel voor deze Onze-Lieve-Vrouw gebouwd. Boven het portaal stond te lezen: Ziet of er een smart is gelijk aan de mijne.
3 De broeder aan de kloosterpoort
Ruim twee eeuwen later kreeg Megen een nieuw wonderverhaal, en dit keer een met een naam en een geboortedatum. Jan Witte werd op 25 juli 1868 in Hoorn geboren, zoon van een zeepzieder. Priester worden lukte hem niet: het seminarie bleek te zwaar, het gymnasium bij de franciscanen in Venray ook. Hij werkte als bakkersknecht, werd in 1886 leerling van de kunstschilder Alexander Kläsener en trad op 8 november 1891 in bij de franciscanen van Alverna, onder de naam Everardus. In 1899 kwam hij naar Megen, als portier en huisschilder. Hij schilderde de altaarstukken van de kloosterkerk en werk voor de kerk van de clarissen; na een val van een ladder in 1929 kon hij alleen nog licht werk doen.
Dertig jaar lang sprak hij aan de poort iedereen die er aanklopte. Men vroeg hem om gebed, en buiten de kloostermuren heette hij al bij zijn leven het heilig bruurke. Hij stierf in de vroege morgen van 22 december 1950; op tweede kerstdag werd hij onder overweldigende belangstelling begraven op het kloosterkerkhof.
Op 27 februari 1951 besteedde pater Gilbertus Lohuis in een lijdensmeditatie voor de KRO-radio uitvoerig aandacht aan hem. Enkele dagen later meldde een jonge advocaat uit Amsterdam de eerste gebedsverhoring. In 1951 werden er honderddrieëntachtig gemeld, in 1952 driehonderdzevenennegentig, in 1954 al veertienhonderddrieënzestig, per brief en briefkaart, uit Nederland maar ook uit België, Canada, Australië en India. Omdat zijn graf binnen het slot lag en dus alleen voor mannen toegankelijk was, werd zijn lichaam op 12 mei 1954 overgebracht naar een eigen grafkapel met een deur aan de straat. Het zaligverklaringsproces begon in 1958, werd in 1971 gepauzeerd en in 1993 stopgezet; in 2022 besloten de franciscanen opnieuw te beginnen. De kapel wordt nog altijd dagelijks bezocht.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


