Zwarte Maarten en de toren zonder spits
Wie vanaf de Waal naar Zaltbommel kijkt, ziet eerst de toren van de Sint-Maartenskerk: breed, zwaar, en van boven afgesneden alsof iemand hem met een mes heeft gekapt. Een paar honderd meter verderop, aan de Nonnenstraat, staat een huis met kantelen en hoektorentjes dat in geen enkele Gelderse winkelstraat thuishoort. Beide bouwwerken dragen de naam van dezelfde man: Maarten van Rossum, de veldheer die de Bommelerwaard beroemd en berucht maakte.
1 Blaken en branden
Maarten van Rossum werd rond 1490 geboren, waarschijnlijk in Zaltbommel of in het nabije Rossum waaraan zijn familie haar naam ontleende. Dertig jaar lang diende hij hertog Karel van Gelre in diens taaie strijd tegen de Habsburgse keizer Karel V. Hij vocht niet zoals ridders in verhalen vechten. In 1514 smokkelde hij soldaten onder het hooi de stad Arnhem binnen. In 1527 verstopte hij bij Rhenen manschappen in het struikgewas en gebruikte een vastgelopen hooiwagen als dekking om door de poort te breken.
In 1528 trok hij met vijftienhonderd tot tweeduizend man op het onversterkte Den Haag af, brandschatte de plaats en eiste achtentwintigduizend gulden. Hij kreeg er achtduizend en voerde burgers als gijzelaars mee. In 1542 stond hij met vijftienduizend man in Brabant, versloeg René van Chalon en legde het land rond Antwerpen in de as, al kreeg hij de stad zelf nooit. De overlevering legde hem een lijfspreuk in de mond: «Blaken en branden is het sieraad van de oorlog.» Of hij die woorden ooit heeft uitgesproken, weet niemand. Dat ze aan hem zijn blijven kleven, zegt genoeg. In Holland en Brabant noemde men hem Zwarte Maarten, en de dichteres Anna Bijns schreef spottend dat hij dan wel lichamen kwelde, maar dat Luther de zielen te gronde richtte.
2 Het huis dat leeg bleef
Ergens tussen 1535 en 1540 liet Van Rossum aan de Nonnenstraat in Zaltbommel een huis van steen optrekken. Geen koopmanswoning: dikke muren, een traptoren, hoektorentjes en kantelen die nergens toe dienden gaven het de allure van een burcht midden in de stad. De Bommelaars spreken tot vandaag van het stadskasteel. De gevel draagt engelenkopjes, sierranken, mannen- en vrouwenkoppen in profiel, helmen en lauwerkransen, en aan de achterzijde een kop met een tulband. Het is een van de vroegste renaissancegevels van de Nederlanden.
De bekendste overlevering over dit huis klopt niet. Bezoekers krijgen te horen dat er duivelskoppen aan hangen en dat de spreuk van de veldheer boven de deur staat gebeiteld. Maar de duivels — in werkelijkheid saters — zitten aan het Duivelshuis in Arnhem, dat Van Rossum in 1539 kocht en in 1543 liet verbouwen; dáár hoort de sage thuis die Willem Hoffman in 1962 optekende, waarin de veldheer de kanunniken toebijt dat zijn nieuwe huis een prachtige plek is voor duivels, helhonden en weerwolven. Van een spreuk op de Bommelse gevel is nooit een spoor gevonden. Wat wel vaststaat is vreemder dan de sage: het bouwwerk aan de Nonnenstraat was slechts het poortgebouw van een complex dat er nooit is gekomen, en Van Rossum heeft er vermoedelijk geen nacht geslapen. Hij verkocht het aan zijn zwager. Toen hij in 1555 stierf, werd hij begraven in de kerk van Rossum; die werd in 1599 voor een fort afgebroken en zijn beenderen verhuisden naar ’s-Hertogenbosch. Zijn graf is spoorloos.
3 De spits die wegdreef
De Sint-Maartenskerk had ooit een spits van dertig meter; de toren mat daarmee honderd meter en was over de hele Bommelerwaard te zien. De bliksem sloeg erin en de spits brandde af — oude bronnen noemen 1538, plaatselijk onderzoek wijst op 1546 na eerdere inslagen. Er kwam een bescheidener opvolger in renaissancevorm, en ook die werd getroffen: in 1696 kwamen appel en haan van boven naar beneden. In 1708 stond de onderbouw van een derde spits gereed, maar de stad stelde het werk uit wegens het gevorderde seizoen. Dat betere seizoen kwam nooit. Bij een restauratie in het begin van de twintigste eeuw werd de aanzet weer weggehaald en kreeg de toren zijn huidige, vlak afgesneden gedaante.
Voor zoiets bedenkt een streek een verhaal. In de Bommelerwaard, waar de dijken onder meer in 1595 en 1634 doorbraken en het water tussen de huizen stond, werd het een watersnood: alles dreef, mensen en huisraad, en midden in die rommel dreef de torenspits van Bommel in het rond. Het lied dat dit bezingt is een van de bekendste van Nederland. Eerlijk gezegd komt het niet uit Zaltbommel: het duikt voor het eerst op in een handschriftelijke liedverzameling die tussen 1904 en 1938 werd aangelegd, waar het uit Overijssel heet te stammen, en het is gemodelleerd naar een Duits lied over een overstroming in Leipzig. Toch is het de enige verklaring die de Bommelaars nog willen horen. Ze hebben hun spits nooit teruggekregen en hun beruchtste zoon woonde niet in zijn eigen huis — maar ze hielden er twee verhalen aan over, en dat is meer dan de meeste steden bezitten.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


