De monsterhaas van Grijpskerk
In het Westerkwartier van Groningen, waar de oude zeedijk van Leeuwarden naar de stad Groningen loopt, ligt Grijpskerk: een dijkdorp met een fabeldier op de toren. Op de windwijzer van de kerk staat een grijp, de griffioen die het dorp zijn naam gaf. Het is een rustig marktdorp, maar het draagt een verhaal mee dat de Grijpskerkers nooit helemaal zijn kwijtgeraakt. Het gaat over een nacht waarin het halve dorp gewapend uittrok tegen een haas, omdat men die haas voor de duivel hield.
1 De grijp op de toren
Grijpskerk ontstond nadat in 1425 de Ruigewaard op de Lauwerszee was bedijkt. Langs de oude zeedijk groeide lintbebouwing, en die dijk werd de belangrijke verbindingsweg tussen Leeuwarden en Groningen. Zo groeide het dorp uit tot de belangrijkste marktplaats van het Westerkwartier, met een korenmolen, De Kievit, boven de daken en later een eigen station aan de spoorlijn.
De naam komt van Nicolaas Grijp, een telg uit een geslacht dat op de Reitsemaheerd woonde en dat aan het begin van de zestiende eeuw een kapel liet stichten. Het geslacht voerde de grijp in zijn wapen, en dat fabeldier werd het teken van het dorp; nog altijd draait er een grijp als windwijzer op de kerk. De kapel werd in 1582 door plunderende soldaten verwoest en tussen 1601 en 1612 herbouwd; in 1856 kreeg zij haar gepleisterde gedaante.
Het is dit nuchtere boerendorp, gewend aan markt, kerk en molen, waar zich in de vroege negentiende eeuw een voorval afspeelde dat de gemoederen hevig in beroering bracht. Marten Douwes Teenstra, de Groninger die het optekende, plaatste het in het jaar 1835.
2 Een haas in het aardappelloof
Het begon bij Westerhorn, een buurtschap ten zuidwesten van Grijpskerk. Een vlasser die in de streek bekendstond onder de bijnaam Teke Bakermat, meende daar de duivel te zien, en wel in de gedaante van een haas: een ruig, langgeoord monster dat zich tussen het aardappelloof had verscholen. Wat een gewoon dier had kunnen zijn, groeide in de vertelling uit tot iets onheilspellends.
Het praatje deed snel de ronde. In een tijd waarin men aan spoken en duivelverschijningen geloofde, was een haas met een boze blik genoeg om de schrik erin te jagen. Al gauw was men ervan overtuigd dat de duivel zelf zich bij het dorp ophield, en dat er iets tegen moest gebeuren.
Zo raapte het dorp zijn moed en zijn wapens bijeen. Boeren en burgers verzamelden zich, gewapend met wat het huishouden aan geweren en ander tuig te bieden had, en trokken op om het monster te verjagen dat men voor de vorst der duisternis aanzag.
3 Onder de veldwachter ten strijde
Toen men de haas werkelijk in het veld aantrof, legde de broodbakker Klaas Jans de Poel uit Grijpskerk zijn geweer aan en richtte. Maar de veldwachter, die de leiding had, gebood hem niet te schieten; men zou zich enkel verdedigen. Toen De Poel het opnieuw probeerde, riep de veldwachter met bevende stem dat hij het laten moest, en duwde de loop omhoog. De verschrikte haas sprong op en rende weg.
Met een opgelucht hart gaf de veldwachter bevel om te keren. Aan het hoofd van de gewapende stoet marcheerde hij het dorp weer binnen, met deftige, afgemeten passen, en bij de Koekcamp van Boersema werd de troep in triomf en glorie afgedankt. De duivel was, zo meende men, met goed fatsoen verjaagd.
Marten Douwes Teenstra, een doopsgezinde die de streek goed kende, boekstaafde het geval in 1843 in zijn Volksverhalen en legenden van vroegere en latere dagen, en hij deed het met onmiskenbare spot. De juistheid van het verhaal is nooit bevestigd: Teenstra dateerde het in 1835, terwijl de betrokken schulte al in 1831 was overleden, en noch in het gemeentearchief noch in de provinciale krant is iets over deze opschudding teruggevonden. Waar of half verzonnen, het is de blijmoedige spot die het verhaal levend hield: een heel dorp dat ten strijde trok tegen zijn eigen angst, en glorieus terugkeerde zonder een enkel schot te lossen.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


