Shield
Heiligerlee, Groningen / Oldambt

De witte wieven van Heiligerlee

Tier 0+ - Publiek 4 min Sage
Flag
Advertentie
OthalaOthalaHandgebouwde websites die je zelf bezit

Op De Hoogte bij Heiligerlee, waar het land tegen een oude zandrug tussen Hannover en Groningen aan ligt, plantte Staatsbosbeheer na 1970 een bos met stille paden. Wie er nu wandelt, hoort hooguit de wind. Maar de dienstbode die er vroeger diende, durfde ’s avonds de oprijlaan niet af, want zij was bang voor de witte wieven die uit de sloot omhoogstegen en zich in het donker vertoonden. Onder dat vredige oord ligt een oudere geschiedenis, want hier stond eeuwenlang het vrouwenklooster Mons Sinaï, en voor zijn poorten werd in 1568 de Slag bij Heiligerlee geleverd.

HW HW

1 De witte wieven van De Hoogte

De overlevering is kort en taai. De dienstbode van boer Kloosterboer durfde in het donker niet over de oprijlaan naar huis, uit angst voor de witte wieven die uit de sloot omhoogrezen. Ook de aardappelschippers voelden zich op die plek ’s nachts niet op hun gemak en legden hun schuit liever een eind verderop aan. De Hoogte bleef zo tot ver in de twintigste eeuw tot de verbeelding spreken.

Witte wieven horen tot de oudste gedaanten uit de Nederlandse en Duitse volksverhalen: nevelige vrouwengestalten die bij avond opdoemen boven laagten, sloten en grafheuvels. In het Oldambt kregen zij een eigen wortel, want de witte vrouwen waren hier niet ver te zoeken. Op precies deze hoogte hadden de nonnen van Mons Sinaï in hun witte habijt geleefd, tot hun klooster werd afgebroken. De herinnering aan die schrijdende, wit gesluierde vrouwen zonk in de bodem en steeg er, verhalenderwijs, weer uit omhoog.

Dat de nonnen zelf witte vrouwen heetten, is niet verzonnen. In Winschoten liep hun kerkpad van het klooster naar de stad, en het draagt nog altijd hun naam, eerst Wittevrouwenstraat, later Langestraat, nu de winkelstraat van de stad. Een tweede naam, de Wittevrouwenstraatdrift, houdt de herinnering eveneens levend.

2 Het klooster Mons Sinai

Mons Sinaï verrees omstreeks 1230 op een lee, een beboste hoogte in het toen woeste en drassige land. De kroniekschrijver van de abdij Mariëngaarde bij Hallum, waaronder de stichting viel, noemde het «een eenzaam, waarlijk onbegaanbaar en dor land waar geen mens kwam». Stichter was Herderic, proost van het klooster te Schildwolde, wiens tante Etelsedis de woeste gronden bij Winschoten bezat. Herderic koos de hoogte uit en noemde de plek eerst Oosterlee, naderhand Heiligerlee, naar de nonnen die er kwamen wonen.

Het klooster volgde de regel van de norbertijnen, de witte kanunniken, en was gewijd aan de heilige Catharina van Alexandrië. Als jong huis had het de bescherming van een moederabdij nodig. Herderic gold als een bon vivant die dronk en geld over de balk gooide, en hij stond op slechte voet met de geleerde abt Emo van Wittewierum, die zijn misstappen in zijn kroniek optekende. Tegen de tijd dat het klooster werd ontmanteld, besloeg het bezit ruim veertienhonderd hectare, met grond tot in Beerta, Scheemda en Blijham, een eigen tichelwerk en voorwerken waar lekenbroeders het land bewerkten.

In 1288 telde Mons Sinaï ongeveer honderdtachtig nonnen. In de loop van de zestiende eeuw liep dat aantal terug, en de onrust van de Tachtigjarige Oorlog dunde de gemeenschap verder uit.

3 De slag en het einde van het klooster

Op 23 mei 1568 werd bij Heiligerlee, in de buurt van het klooster, een veldslag geleverd die geldt als een van de eerste van de Tachtigjarige Oorlog. De legers van de graven Lodewijk en Adolf van Nassau, broers van Willem van Oranje, versloegen de koningsgezinde troepen onder Jan van Ligne, graaf van Aremberg. Beide edelen kwamen om: de graaf van Aremberg sneuvelde, en ook de zevenentwintigjarige Adolf van Nassau bleef op het veld. De Wilhelmus bezingt hem nog altijd: «Graef Adolff is ghebleven, in Vriesland in den slaech.» Zijn lichaam werd, met dat van Van Ligne, opgebaard in de kloosterkerk, waar de nonnen de gewonden en de doden verzorgden.

De slag werd het begin van het einde voor het klooster. De protestanten kregen de macht, en het katholieke erfgoed werd tot puin geslagen. Al bij hun vertrek staken de troepen van graaf Lodewijk de gebouwen in brand, en in 1597 werden de overblijfselen verkocht en tot op de laatste steen afgebroken. De overgebleven kloosterlingen werden niet vervolgd, maar kregen een karig jaargeld, en het uitgestrekte bezit verviel aan de Staten van Stad en Lande.

De verlaten hoogte kreeg de naam De Hoogte. Boeren streken er neer, en toen in 1811 onder Napoleon iedereen een achternaam moest kiezen, namen zij de naam Kloosterboer aan. Ayolt Kloosterboer, de laatste die er boerde, hield in 1970 op, waarna Staatsbosbeheer het land beboste. Sindsdien wandelt men over de plek waar eens het koorgezang klonk, en waar de dienstbode de witte wieven vreesde.

Bron: Naverteld naar «Roerig klooster Heiligerlee» van Cees Stolk op deverhalenvangroningen.nl. Historische gegevens: nl.wikipedia (Heiligerlee, Slag bij Heiligerlee 1568) en Stichting Musea Heiligerlee.
Wist je dat? De Hoogte is een keienrijke opduiking in het landschap, een van de garsten van het Schiereiland van Winschoten; de naburige heuvels heten Napels en liggen bij Tranendal. Het klooster Mons Sinaï was gewijd aan Catharina van Alexandrië en had voorwerken en een eigen steenbakkerij. De laatste boer op de plek, Ayolt Kloosterboer, stopte in 1970, waarna er bos werd geplant.
Heimweer Heimweer

Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard