Shield
Vollezele, Oost-Vlaanderen

De Kludde van Vollezele

Tier 0+ - Publiek 5 min Sage
Flag
Advertentie
OthalaOthalaHandgebouwde websites die je zelf bezit

In Vollezele, in het groene Pajottenland van Oost-Vlaanderen, was er een wezen dat meer gefluisterd dan gesproken werd genoemd: de Kludde. Dit verschriksel kwam ’s nachts tevoorschijn in de vorm van een dier met een schapenvel, rammelde met ketens en belde met een schrille bel. Degenen die bang waren voor de Kludde werden door het beest besprongen en gedwongen het wezen rond te dragen totdat zij bezweet waren als badnaren. Maar wie wist dat de Kludde niet altijd een natuurlijke geest was? Dat achter het gruwel een menselijke hand werkzaam was — en dat alleen een zakdoek genoeg was om het masker af te scheuren?

HW HW

1 De nachtelijke schrik

In het dorp Vollezele, waar de heuvels van het Pajottenland zacht golvend het landschap vormgaven, duidde men fluisterend naar iets wat geen naam wilde hebben. Niet omdat het geen naam had, maar omdat namen macht gaven, en macht aan zo’n wezen wilde men niet schenken. Men noemde het ’de Kludde’ — een woord dat als een waarschuwing klonk, als een kreet vanuit het duister.

De Kludde kwam ’s nachts. Dit was niet iets wat men had gehoord zeggen, of wat ouders hun kinderen vertelden om hen vroeg naar bed te sturen. Dit was iets wat men WIST, zonder enige twijfel. De wezens die ’s avonds nog vrolijk over straat liepen, trokken hun deuren ’s nachts dicht als zij het geluid hoorden: een luide rammelende ketting, een schrille bel die als een ijskoud mes door de duisternis sneed.

En dan kwam de vorm. Een dier, voorzover men kon zien in het maanlicht — of liever gezegd, een figuur die op een dier leek. Een schapenvel, grijs en vuil, hing over wat eronder verborgen was. Niemand wilde lang genoeg blijven kijken om meer te zien. Want degenen die bang waren — en wie was niet bang voor de Kludde? — werden besprongen. De Kludde wierp zich op hen, en dan begon de marteling: zij moesten het beest dragen, het rond dragende door nacht na nacht, tot hun benen wankelden en hun lichaam zweet uit porien zij niet wisten dat zij hadden.

2 De meid en haar schrik

Er was een meisje in Vollezele dat naaiwerk deed voor andere huizen. Klein werk, voor schrale loon, maar het was werk. Op een avond kreeg zij een klus in een ander dorp. Het was al schemering toen zij vertrok, dat uur van de dag wanneer de zon de wereld achterlaat en de duisternis langzaam opkruipt vanuit de bossen.

’Wil je echt gaan?’ vroegen haar tantes. ’De avond is niet veilig. Niet voor een meisje alleen.’ Maar het meisje was jong en sterk in het geloof dat dapperheid en goede bedoelingen voldoende schild waren tegen de nacht. ’Ik ben niet bang,’ zei zij. ’De Kludde bestaat niet — het is slechts een sprookje voor kinderen.’ De tantes wisselden blikken uit, maar zeiden niets meer.

Het meisje liep de donkere weg op, haar naaiwerk in een bundel onder haar arm, vol zelfvertrouwen dat sterker voelde dan de groeiende duisternis. Ze had nog maar een paar honderd passen gelopen toen zij het hoorde: rammeling. Een metallisch geluid, hol en gruwelijk. En daarna — de bel. Die schrille, ijskoude bel.

Het zelfvertrouwen van het meisje verdween als sneeuw in de zon. Haar hart begon te beven, haar adem haalde zij in korte, panische stoten. En toen zag zij het: een vorm in het duister, op de weg voor haar. Een dier, of iets wat dierachtig was. Grijs. Bevuild. Bewegend.

3 De zakdoek en het geheim

Het meisje deed het enige wat zij kon doen — zij gokte haar leven op wat zij had gehoord fluisteren in de huizen waar zij naaiwerk deed. Zij trok haar zakdoek uit haar zak — een eenvoudige, witte doek — en gooide die naar het wezen. ’Ga weg!’ schreeuwde zij, meer uit instinct dan uit hoop.

Het was alsof zij een magisch spreukewoord had uitgesproken. Het beest bleef stijf staan, als bevrozen. De ketting stopte met rammelen. De bel veel stil. Het wezen kon zich niet meer verroeren. Het was als vastgezet, vastgeklemd door iets onzichtbaars. Want de Kludde kon niet tegen een voorwerp dat tegen hem werd geworpen — het moest eerst worden uitgerafeld, stukje voor stukje, voor het beest zich opnieuw kon bevegen.

Het meisje rende weg. Zij rende door de nacht als de duivel haar op de hielen zat. Zij rende de weg door naar het huisje waar zij heen moest, voltooide haar werk met bevende handen, en rende terug. De hele nacht voelde zij zich gevolgd, hoewel zij niets meer hoorde. Slechts het bonzen van haar eigen hart, slechts de rauwe ademhaling in haar keel.

De volgende morgen, toen zij aan het ontbijt zat met haar familie, vroegen zij naar de nacht. ’Hoe is het gisteravond geweest?’ vroegen zij. Het meisje vertelde wat haar overkomen was — hoe zij de Kludde had gezien, hoe zij had gerend, hoe zij de zakdoek naar het wezen had geworpen, en hoe het beest bevrozen was geweest.

4 De onthulling en het verdwijnen

Aan tafel zat een knecht van het huishouden — een jongeman die voor veel werk werd gebruikt, die voor de schuren sliep, die graag lachte wanneer de baas niet keek. Toen het meisje haar verhaal deed, barstte hij in lachen uit. Harduit lachen, het lachen van iemand die een groot geheim niet kon houden. Zijn mond ging open — en uit zijn tanden staken de vezels van een witte zakdoek.

’Jij bent het!’ schreeuwde het meisje. ’Jij bent de Kludde! Je bent een smeerlap, een bedrieger!’ Haar gezicht werd rood van woede en schaamte — schaamte dat zij bang was geweest voor iets wat menselijk was, voor iets wat gewoon een truc was.

De knecht hield op met lachen. Hij knikte langzaam, en er was geen spelletje meer in zijn ogen. ’Ja,’ zei hij. ’Ik ben het. Maar niet voorgoed. Ik moest nog één nacht als Kludde rondlopen. De vorige nacht was mijn laatste nacht. Als jij niet die zakdoek had geworpen, dan zou ik nu nog steeds rondlopen, nacht na nacht, jarenlang misschien.’

De knecht stond op van tafel en verliet het huis. Niemand zag hem daarna nog terugkeren. Niet die dag, niet de volgende dag. Men zei later dat hij naar een ander dorp was gegaan, dat hij zich verschool voor de schande van wat hij had gedaan. Anderen zeiden dat hij gewoon was weggegaan, op zoek naar een nieuw leven waar hij niet aan een bel en een ketting gebonden was.

En het meisje? Zij leerde dat moed niet betekende dat men niet bang hoefde te zijn. Het betekende dat men bang kon zijn, en toch doorgaan. En zij leerde dat de Kludde niet altijd het spook was van de verhalen — soms was het slechts een mens, verborgen onder een schapenvel, wachtend tot iemand sterk genoeg was om de zakdoek te werpen die alles zou veranderen. Want in Vollezele, in het zachte Pajottenland, was de echte gruwel niet de verschijning in de nacht — het was de eenzaamheid van degenen die verplicht waren om ’s nacht rond te lopen, gescheiden van hun medensen, tot zij eindelijk bevrijd werden.

Bron: Vlaamse volksoverlevering, Vollezele
Wist je dat? De Kludde is een der bekendste figuren uit de Vlaamse folklore, een gemene plaaggeest die met name in de Pajottenland-regio veel voorkwam. De toren van Lieferinge, waar volgens het verhaal een knecht de Kludde moest spelen, is een eeuwenoud bouwwerk in het groene hartland van Vlaanderen.
Heimweer Heimweer

Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard