De zwarte schaapherder van Halle
Waar de bomen van de Hallerbos hun wortels hebben geslaan in het nachtelijk stof en de mist als grijze sluiers de grond beroert, durft niemand meer te lopen na het vallen van de duisternis. Want daar verschijnt, op de koude avonden wanneer de herfstwinden fluisteren en de lucht zwaar is van voorkomen, de zwarte schaapherder. Niemand kent zijn naam. Niemand kent zijn herkomst. Maar iedereen kent zijn spoor.
1 De wandelaar in het nachtgewad
Het begint altijd hetzelfde. Een reizigers loopt langs de Hallerbos, op weg naar huis, naar familie, naar wat dan ook. De mist daalt neer – plotseling, als iets levends dat zich om je heen wikkelert. De bomen verdwijnen. De weg verdwijnt. Er is alleen nog de grijze massa die alles verzwelgt.
En dan hoort hij het: een fluit. Een eenvoudige melancholieke fluit, dezelfde noot steeds herhaald. Of misschien zijn het twee noten. Het is moeilijk te zeggen, want het geluid lijkt van overal te komen en nergens tegelijk. Het trekt hem naar zich toe als een magneet ijzer trekt. De voeten beginnen vanzelf in die richting te wandelen.
Dat is wanneer hij hem ziet. Een figuur in het zwart – lang, dun, onbeweeglijk behalve voor de beweging van zijn armen. In de ene hand een fluit, in de andere hand... niets. Geen herdersstaf, geen touw, geen merkteken. En rond hem, bewegend als water, een kudde schapen. Maar ze zijn niet wit – ze zijn grijs als de mist zelf, translucent, half materieel.
2 De verdwijnende paden
De reizigers voelen zich aangetrokken tot de herder, hoewel elk vezel van zijn lijf schreeuwt om weg te rennen. Het is alsof zijn fluit die schreeuwen uit zijn lichaam heeft gesneden. Hij volgt, omdat hij niet anders kan. De herder leidt hem dieper de mist in, en de schapen dansen rond hen in een patroon dat bijna betekenis heeft, maar niet helemaal.
Uren verstrijken. Of zijn het minuten? In de mist is tijd geworden als water – het stroomt, maar in welke richting is onmogelijk te zeggen. De reizigers probeert te spreken, maar zijn stem komt niet uit zijn mond. De fluit gaat maar door, dezelfde noot, dezelfde melancholische roep. De schapen – hoeveel zijn er eigenlijk? – vermenigvuldigen zich, of verdwijnen, of doen allebei tegelijk.
En dan, plotseling, als iets dat je wakker maakt uit een droom, ziet hij licht. De mist wijkt terug zoals gordijnen die opengaan. De herder en zijn kudde zijn verdwenen. De reizigers staat aan de rand van een veld dat hij niet herkent, en de zon gaat onder in de verkeerde richting.
3 De zaad van ontferming
De spreekwoorden zeggen dat de herder een vervloekt man is, of misschien ooit was. Sommigen beweren dat hij een moordenaar was, anderen dat hij zijn kudde in honger heeft zien sterven. Wat ze zeggen, is allemaal waar – en allemaal niet waar. Wat ze zeggen, is dat hij verdoemd is tot het eterniteit de Hallerbos rond te wandelen, zijn schapen hoedend, altijd alleen, altijd zoekend naar iets wat hij nooit zal vinden.
Maar een oude voetman, die de herder had ontmoet en terugkwam, vertelde iets anders. “Zijn ogen”, zei hij, “waren voller tranen dan alle zeeën. Niet uit kwaad, maar uit verlies. Hij zoekt niet om ons te pijn, maar om geholpen te worden. Want wie kan een verdoemde ziel uit zijn lijden bevrijden, anders dan door hem te zien te hebben?”
Sinds die dag wandelen slechts de dapperste reizigers door de Hallerbos na donker. En sommigen – de allermoedigsten – zeggen dat als je durft om hem recht aan te kijken, om zijn naam te roepen, om hem eenvoudigweg als mens te erkennen, dat de mist dan kan oplichten. Dat misschien, alleen misschien, hij eenmaal zal mogen rusten. Maar niemand durft het te proberen. En de fluit speelt nog steeds, in die grijze doolhoven, voor altijd.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


