Het mollenpootje
Er was een tijd dat de boeren van Vinkt en omstreken niet naar de dokter gingen als de tanden pijn deden of het vee ziek werd. Ze gingen naar de mol. Of beter gezegd: naar wat er van de mol overbleef nadat hij gevangen was. Want een mollenpootje — gedroogd, in een lapje gewikkeld en om de hals gedragen — was het krachtigste middel dat een mens kon bezitten tegen alles wat kwaad was.
1 De vangst
Het begon altijd in de vroege ochtend, als de dauw nog op het gras lag en de molshopen vers waren. Een boer die een mollenpootje nodig had, moest de mol zelf vangen — dat was de eerste regel. Je kon er geen kopen op de markt en je kon er geen ruilen met de buurman. Het pootje werkte alleen als jij de mol had gevangen, met je eigen handen, in je eigen grond.
De boeren van Vinkt kenden de truc. Ze staken een schop in de aarde vlak achter de verse hoop, wachtten tot de grond bewoog, en grepen toe. Het moest snel gaan, want de mol was vlugger onder de grond dan een mens erboven. Wie te laat was, stond met lege handen en moest tot de volgende ochtend wachten.
Was de mol gevangen, dan werd het linkerpootje afgesneden — altijd het linker, nooit het rechter, want het linkerpootje lag het dichtst bij het hart. Het pootje werd gedroogd boven het haardvuur, drie dagen lang, tot het hard was als een stukje hout. Dan werd het in een lapje linnen gewikkeld en om de hals gehangen met een touwtje dat drie knopen had — één voor de vader, één voor de zoon, één voor de heilige geest.
2 Tegen de tandpijn
Het eerste waarvoor het mollenpootje diende, was tandpijn. In een tijd zonder tandartsen en zonder verdoving was een rotte kies een marteling die weken kon duren. De mensen van Vinkt zwoeren bij het pootje. Je hield het tegen de wang, aan de kant waar de pijn zat, en je sprak drie keer het gebed van Sint-Apollonia — de beschermheilige van de tandlijders. Als het werkte, en de boeren beweerden dat het altijd werkte, trok de pijn weg als water dat in de grond zakt.
Voor kleine kinderen die aan het tandjes krijgen waren, naaide de moeder een mollenpootje in het mutsje. Het kind merkte er niets van, maar de moeders merkten alles: minder huilen, minder koorts, minder slapeloze nachten. Of het nu het pootje was of het geloof in het pootje, dat maakte niemand uit. Het werkte, en dat was genoeg.
3 Tegen het kwaad
Maar het mollenpootje kon meer dan tandpijn genezen. Wie er een droeg, was beschermd tegen de boze blik — het nijd-oog, zeiden ze in Vinkt, de blik van een mens die je kwaad toewenste zonder een woord te zeggen. Een boer wiens koeien plots geen melk meer gaven, wiens kippen stopten met leggen, wiens vrouw niet zwanger raakte — die wist wat er aan de hand was. Iemand had hem het nijd-oog gegeven.
Het mollenpootje keerde dat af. Je droeg het onder je hemd, onzichtbaar, en het kwaad gleed van je af als regen van een leien dak. De mol leefde in het donker, onder de aarde, waar ook de duivel woonde — en wie in het donker kon leven zonder bang te zijn, die had een kracht die sterker was dan welke heks ook.
Zo redeneerden de boeren tenminste. En wie was het met hen oneens? De pastoor misschien, die het bijgeloof noemde en er vanaf de preekstoel tegen donderde. Maar zelfs de pastoor, zo ging het verhaal, had een mollenpootje in de zak van zijn soutane. Voor alle zekerheid.
4 Het verdwijnen
Tegen het einde van de negentiende eeuw begon het geloof in het mollenpootje te tanen. Er kwamen dokters naar de dorpen, er kwamen tandartsen naar de steden, en de mensen begonnen te denken dat een gedroogd dierenpootje misschien toch niet zoveel kon als hun grootouders hadden beweerd. De kinderen lachten erom. De kleinkinderen hadden er nooit van gehoord.
Maar in Vinkt, en in de dorpen rondom Vinkt, bleven er altijd mensen die het wisten. Oude vrouwen die nog een mollenpootje in de la hadden liggen, gewikkeld in hetzelfde linnen lapje als vijftig jaar geleden. Oude mannen die het voorzichtig te voorschijn haalden als de kleinkinderen op bezoek kwamen en zeiden: “Kijk. Dit heeft uw overgrootmoeder gedragen. En haar moeder voor haar. En haar moeder voor haar.”
En de kleinkinderen keken ernaar — dat kleine, harde, bruine ding dat eruitzag als een takje — en ze snapten niet wat het was. Maar ze voelden wel iets. Iets van de aarde, iets van de tijd, iets van een wereld die verdwenen was maar nog niet helemaal vergeten.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


