Shield
Schwäbisch Gmünd, Baden-Württemberg / Ostalbkreis

De torenloze kerk van Schwäbisch Gmünd

Tier 0+ - Publiek 4 min Sage
Flag
Advertentie
OthalaOthalaHandgebouwde websites die je zelf bezit

Boven de daken van Schwäbisch Gmünd, de oudste Stauferstad van het rijk, staat een kerk zonder torens. Het Heilig-Kreuz-Münster is de oudste grote hallenkerk van Zuid-Duitsland en het eerste grote werk van de bouwmeestersfamilie Parler — maar wie er vandaag omheen loopt, zoekt tevergeefs naar de twee torens die er ooit stonden. Ze stortten in de nacht van Goede Vrijdag 1497 in, en de Gmünders vertellen tot op vandaag waarom er die nacht niemand omkwam.

HW HW

1 De Parlers en de hallenkerk

Omstreeks 1315 begonnen de burgers van Gmünd een nieuwe kerk te bouwen op de plaats van de romaanse basiliek die er sinds de twaalfde eeuw stond. De twee westtorens van dat oude gebouw, rond 1210 aangebouwd, lieten ze staan; ze pasten de nieuwbouw er eenvoudig omheen. Kort na het begin van de werken, tussen 1325 en 1330, nam een steenhouwer uit Keulen de leiding over: Heinrich Parler. Zijn naam is eigenlijk een functie — een «Parlier» was de voorman van een bouwhut.

Heinrich wijzigde het plan ingrijpend. In plaats van een basiliek met een hoog middenschip liet hij drie even hoge beuken optrekken, gedragen door slanke zuilen: een hallenkerk, de eerste grote van Zuid-Duitsland. Het schip was rond 1341 klaar. Op 17 juli 1351 werd de eerste steen van het hallenkoor gelegd, het stuk waarmee de Parlers hun naam vestigden. Uit hun werkplaats komt ook het Heilige Graf van omstreeks 1350, met kleding en wapens die tot in de details die van de veertiende eeuw zijn.

Heinrich stierf omstreeks 1370 in Gmünd; zijn zoon Johann zette het werk voort. Het hoogaltaar werd pas in 1410 gewijd, de gewelven kwamen er vanaf 1491, en pas in 1521 stond de kerk zoals ze bedoeld was. De weg van de Europese gotiek liep door dit stadje aan de Rems.

2 De Goede Vrijdagnacht van 1497

De twee oude torens bleven al die tijd staan terwijl om hen heen de nieuwe kerk groeide. Tussen beide torens spande een zware boog die ze onderling schoorde. Die boog had één nadeel: hij versperde vanuit het schip het zicht op het koor en het hoogaltaar. De bouwleiding besloot hem weg te breken.

In de nacht van Goede Vrijdag, 24 maart 1497, gaven de torens het op. Beide stortten neer. Er raakte niemand gewond. De stadsschrijver Rudolf Holl noteerde wat er die nacht in de kerk gebeurde: zes mensen hielden er de wake bij het Heilige Graf, twee oude mannen en vier scholieren. Toen het stof opsteeg zagen ze geen hand voor ogen; ze tastten zich naar een venster in het koor en klommen naar buiten. Niet één van hen had een schram.

De Gmünders noemden het een teken. Dat het uitgerekend gebeurde in de nacht waarin de kerk de dood van Christus herdenkt, en dat de zes wakers ongedeerd bleven, werd op een aflaatprent afgebeeld en eeuwenlang doorverteld. Herbouwd werden de torens nooit — het geld ontbrak. Op de plek van de noordtoren kwam in 1507 de Schreyerkapel, op die van de zuidtoren in 1515 de sacristie. De klokken verhuisden naar de romaanse woontoren aan de rand van het kerkhof, sindsdien Glockenturm geheten: een noodoplossing die vijf eeuwen heeft geduurd.

3 De vedelaar en de gouden schoen

Een torenloze kerk levert spot op, en Gmünd heeft daar altijd mee moeten leven. De streng katholieke stad kreeg van buiten de muren de bijnaam «Schwäbisch Nazareth». Maar het verhaal dat de Gmünders zelf het liefst vertellen, gaat niet over spot maar over onschuld.

Een arme vedelaar, zo luidt de sage, speelde in een Gmünder kapel voor het beeld van de heilige Cecilia. Hij speelde zo mooi dat het beeld hem zijn gouden schoen toewierp. De man werd van kerkroof beschuldigd en ter dood veroordeeld. Voor het vonnis werd voltrokken mocht hij nog eenmaal spelen — en het beeld wierp hem ook de tweede schoen toe, ten aanschouwen van de hele stad. Zijn onschuld was bewezen.

Het verhaal is ouder dan Gmünd; het hoort oorspronkelijk bij de Volto Santo van Lucca en bij de heilige Kummernis. Justinus Kerner zag zo’n Kummernis-afbeelding met bijschrift in 1815 in een kerk bij Gschwend, en bedacht op 3 september 1816 tijdens een wandeling bij Gaildorf met zijn vriend Ludwig Uhland het gedicht «Der Geiger zu Gmünd». Op 9 december 1816 verscheen het in druk. Kerner verplaatste de handeling naar Gmünd, en niet toevallig: in de oude legende komt een goudsmid voor, en Gmünd was de goud- en zilversmedenstad bij uitstek — rond het midden van de achttiende eeuw telde ze zo’n 250 goudsmidsmeesters. Sinds 1906 staat de Geigerbrunnen in de stadstuin. De torens kwamen nooit terug; de vedelaar bleef.

Bron: de.wikipedia «Heilig-Kreuz-Münster (Schwäbisch Gmünd)»; kroniek van stadsschrijver Rudolf Holl (1497); Justinus Kerner, «Der Geiger zu Gmünd» (1816).
Wist je dat? Peter Parler, in 1333 in Schwäbisch Gmünd geboren als zoon van Heinrich, werd in 1356 door keizer Karel IV naar Praag geroepen en bouwde daar de Sint-Vituskathedraal en de Karelsbrug. Het Gmünder hallenkoor, waarvan de eerste steen op 17 juli 1351 werd gelegd, geldt als het proefstuk van die hele school. Het kerkgebouw kreeg pas in 1926 van bisschop Paul Wilhelm von Keppler de titel Münster zum Heiligen Kreuz.
Heimweer Heimweer

Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard